Op 21 juli 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn herhaalde asielaanvraag van 8 juli 2023. De minister van Asiel en Migratie, als verweerder, heeft op 23 september 2025 een besluit genomen op de aanvraag. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak gedaan zonder zitting.
De rechtbank overweegt dat de veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Aangezien verweerder niet binnen de geldende termijn op de aanvraag heeft beslist en alsnog een besluit heeft genomen terwijl er een beroep tegen het niet tijdig beslissen liep, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.
Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 467. Dit bedrag is berekend op basis van de beroepsmatige rechtsbijstand verleend door een derde, met een wegingsfactor 'licht' omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit. De uitspraak is openbaar gemaakt op 20 januari 2026.