ECLI:NL:RBDHA:2026:860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.33066
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek om proceskostenvergoeding na niet-tijdig beslissen op asielaanvraag

Op 21 juli 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn herhaalde asielaanvraag van 8 juli 2023. De minister van Asiel en Migratie, als verweerder, heeft op 23 september 2025 een besluit genomen op de aanvraag. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak gedaan zonder zitting.

De rechtbank overweegt dat de veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Aangezien verweerder niet binnen de geldende termijn op de aanvraag heeft beslist en alsnog een besluit heeft genomen terwijl er een beroep tegen het niet tijdig beslissen liep, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.

Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 467. Dit bedrag is berekend op basis van de beroepsmatige rechtsbijstand verleend door een derde, met een wegingsfactor 'licht' omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit. De uitspraak is openbaar gemaakt op 20 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33066

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 21 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn herhaalde asielaanvraag van 8 juli 2023.
Op 23 september 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 20 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.