ECLI:NL:RBDHA:2026:8630
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tijdelijke bescherming onder Richtlijn
Verzoekster heeft op 27 augustus 2025 een verzoek ingediend om tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek aanvankelijk af, waarna verzoekster bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening verzocht.
Bij een besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en verzoekster tijdelijke bescherming verleend. Verzoekster stelde daarop beroep in tegen dit besluit. Het eerder ingediende verzoek om voorlopige voorziening werd aangemerkt als samenhangend met het beroep.
De rechtbank behandelde op 3 april 2026 het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep. Op 10 april 2026 deed de rechtbank uitspraak op het beroep en verklaarde dit ongegrond. Gezien deze uitspraak was een voorlopige voorziening niet langer nodig, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het samenhangende beroep ongegrond is verklaard.