Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/09/665066 / FA RK 24-2904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 5 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 10:95 BWArt. 1:253c BWArt. 1:227 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Juridisch vaderschap, gezag en adoptie vastgesteld na draagmoederschapstraject in Thailand

Verzoekers, een gehuwd stel met Nederlandse nationaliteit, hebben in Thailand een draagmoederschapstraject doorlopen waarbij twee kinderen zijn geboren. Verzoeker 2 heeft de kinderen prenataal erkend en is door een Thaise rechtbank als wettig ouder en eenhoofdig gezagsdrager erkend. De rechtbank Den Haag beoordeelde het verzoek tot erkenning, gezagsverlening, adoptie en vaststelling van geboortegegevens.

De rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke verzoeken niet toewijsbaar waren vanwege strijd met de Thaise draagmoederschapswetgeving en onvolledige informatie in de buitenlandse procedure, waardoor erkenning van de Thaise uitspraak en geboorteakten in Nederland niet mogelijk was. Na aanpassing van de verzoeken werd het juridisch vaderschap van verzoeker 2 erkend, het eenhoofdig gezag aan hem toegekend en de adoptie door verzoeker 1 uitgesproken.

De rechtbank stelde tevens de noodzakelijke geboortegegevens van de minderjarigen vast voor inschrijving in de Nederlandse registers, waarbij de kinderen de geslachtsnaam van verzoekers krijgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de griffier zal na onherroepelijkheid de beschikking melden aan het gezagsregister.

Uitkomst: De rechtbank erkent juridisch vaderschap en eenhoofdig gezag van verzoeker 2, spreekt adoptie uit door verzoeker 1 en stelt geboortegegevens van de minderjarigen vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-2904
Zaaknummer: C/09/665066
Datum beschikking: 12 maart 2026
Beschikkingop het op 19 april 2024 ingekomen en het op 5 februari 2026 ingekomen gewijzigde verzoekschrift van:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2],

verzoekers dan wel afzonderlijk [verzoeker 1] en [verzoeker 2],
wonende te [land 1],
advocaat mr. A.F. Braun te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand,

zetelend te ’s-Gravenhage,
hierna: de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- een F9-formulier van 25 april 2024, met bijlagen, van verzoekers;
- een F9-formulier van 30 mei 2024, met bijlagen, van verzoekers;
- de brief van 4 juli 2024 van de ambtenaar;
- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 juli 2024;
- een F9-formulier van 20 september 2024, met bijlagen van verzoekers;
- een F9-formulier van 6 november 2024 van verzoekers;
- de brief van 16 december 2024 van de ambtenaar;
- een F9-formulier van 24 december 2024 van verzoekers;
- een F9-formulier van 27 januari 2025 van verzoekers;
- een F9-formulier van 12 februari 2025, met bijlagen, van verzoekers;
- de brief van 24 maart 2025 van de ambtenaar;
- een F9-formulier van 23 april 2025, met bijlagen, van verzoekers;
- de brief van 3 juni 2025 van de ambtenaar;
- een F9-formulier van 26 juni 2025, met bijlage, van verzoekers.
Op 29 januari 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker 1] (via videoverbinding) en [verzoeker 2] met hun advocaat, N.B. van Veen-Benig en [naam 1] namens de ambtenaar en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Door verzoekers zijn pleitnotities overgelegd. Verzoekers zijn op de zitting in de gelegenheid gesteld een gewijzigd verzoekschrift in te dienen.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- een F9-formulier van 4 februari 2026, met als bijlage een gewijzigd verzoekschrift.

Feiten

  • Verzoekers zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats].
  • Verzoekers hebben in [land 1] een draagmoederschapstraject doorlopen.
  • De draagmoeder is [naam 3], geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1], [land 1]. Zij heeft de [plaatselijk] nationaliteit.
  • Op 11 maart 2019 heeft [verzoeker 2] de kinderen waarvan de draagmoeder zwanger was, met toestemming van de draagmoeder, prenataal erkend.
  • Uit het draagmoederschapstraject zijn geboren:
o [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2], [land 1],
o [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2], [land 1].
  • Uit een DNA-onderzoek blijkt dat [verzoeker 2] met een waarschijnlijkheid van 99,99994% de biologische vader is van [minderjarige 2] en dat hij met een waarschijnlijkheid van 99,99998% de biologische vader is van [minderjarige 1].
  • Verzoekers zijn ook de ouders van [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats 3], [land 2].
  • Verzoekers hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Verzoekers stellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Nederlandse en [plaatselijk] nationaliteit hebben.
  • [verzoeker 2] werkt voor de Nederlandse overheid en is in diverse landen gestationeerd geweest. Op dit moment verblijven verzoekers in verband met de huidige standplaats van [verzoeker 2] in [land 1].
  • Bij beslissing van de Central Juvenile and Family Court te [land 1] van 14 november 2023, is [verzoeker 2] aangemerkt als wettig ouder van de kinderen en is hem het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toegekend.

Verzoek

Het oorspronkelijke verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:
voor recht verklaart, althans te verstaan, dat de beslissing van de Central Juvenile and Family Court te [land 1] van 14 november 2023, voor erkenning vatbaar is in Nederland en dat [verzoeker 2] uit dien hoofde het (eenhoofdig) gezag heeft over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
de adoptie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door [verzoeker 1] uitspreekt;
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zullen verkrijgen;
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage gelast de geboorteakten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te schrijven en daarop een latere vermelding van de adoptie en van de verkrijging van de geslachtsnaam [geslachtsnaam] te plaatsen;
bepaalt dat de griffier, wanneer de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van de beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.
Op 4 februari 2026 hebben verzoekers naar aanleiding van de mondelinge behandeling hun verzoeken deels gewijzigd/ingetrokken waardoor deze thans als volgt luiden:
voor recht te verklaren dat [verzoeker 2] als juridisch vader van de minderjarigen beschouwd dient te worden;
te bepalen dat [verzoeker 2] belast wordt met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen;
de adoptie van de minderjarigen door [verzoeker 1] uit te spreken;
te bepalen dat de minderjarigen de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zullen verkrijgen.
De ambtenaar heeft schriftelijk en op zitting zijn standpunt kenbaar gemaakt.

Beoordeling

Relatieve bevoegdheid
Verzoekers zijn woonachtig buiten Nederland. De rechtbank Den Haag is op grond van artikel 269 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Inleiding
Uit de stukken en de verklaring van verzoekers op de zitting blijkt het volgende.
Verzoekers hebben in [land 1] een draagmoederschapstraject doorlopen. Bij dit traject is een [plaatselijk] bemiddelingsbureau betrokken geweest, te weten [bemiddelingsbureau]. De eiceldonatrice is volgens de door verzoekers overgelegde uitdraai van [bemiddelingsbureau], [naam 4]. De draagmoeder is [naam 3], geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 1], [land 1]. Op [geboortedatum 2] 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren uit de draagmoeder.
Door verzoekers zijn geen originele stukken overgelegd op basis waarvan de rechtbank onomstotelijk kan vaststellen dat het traject is gegaan zoals verzoekers stellen. Zo kan de rechtbank niet vaststellen dat het bij de draagmoeder ingebrachte embryo inderdaad is verkregen met een eicel van de genoemde eiceldonor. De rechtbank ziet echter ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de stellingen van verzoekers niet juist zijn. Uit de stukken blijkt dat [verzoeker 2] [minderjarige 1] en [minderjarige 2], met toestemming van de draagmoeder, op 11 maart 2019 prenataal heeft erkend. Verder is gebleken dat in [land 1] van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een geboorteakte is opgemaakt, waarop de draagmoeder als moeder en [verzoeker 2] als vader zijn vermeld.
Verzoekers hebben in [land 1] een gerechtelijke procedure doorlopen met betrekking tot het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Bij beslissing van de Central Juvenile and Family Court te [land 1] van 14 november 2023, is het gezag van de draagmoeder over de kinderen beëindigd en is [verzoeker 2] met het gezag over de kinderen belast. Verzoekers hebben in eerste instantie verzocht deze [plaatselijk] gezagsbeslissing te erkennen en een last tot inschrijving van de [plaatselijk] geboorteakten van de kinderen in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand te geven.
Op grond van de [plaatselijk] wetgeving (
Protection for Children Born Through Assisted Reproductive Technologies Act), bestaat de mogelijkheid voor een gehuwd echtpaar van verschillend geslacht, van wie er ten minste één de [plaatselijk] nationaliteit bezit, om via draagmoederschap een kind te krijgen. Verdere voorwaarden hierbij zijn als volgt:
  • Als slechts één echtgenoot [plaatselijk] is, moet het huwelijk minstens drie jaar hebben bestaan.
  • Het echtpaar moet bewijzen dat ze op geen enkele andere manier een kind kunnen krijgen.
  • Draagmoederschap is alleen toegestaan als de draagmoeder ten minste 25 jaar oud is. Bovendien moet de draagmoeder al één kind hebben gebaard, behalve als zij bloedverwant is van de wensouders.
  • Wat bloedverwantschap betreft, mag de draagmoeder niet de moeder of dochter zijn van een van de wensouders.
  • De echtgenoot of levenspartner van de draagmoeder moet met het draagmoederschap instemmen.
  • Commercieel draagmoederschap is verboden.
De rechtbank heeft op de zitting met verzoekers besproken dat de oorspronkelijke verzoeken niet voor toewijzing vatbaar zijn. De belangrijkste reden daarvoor is dat de [plaatselijk] wetgeving een draagmoederschapstraject gevolgd door personen van gelijk geslacht niet toestaat. Bovendien is, nog los van het feit dat verzoekers van gelijk geslacht zijn, niet voldaan aan alle overige vereisten die de [plaatselijk] wet aan draagmoederschap stelt. Evenmin staat de identiteit van de eiceldonatrice met zekerheid vast. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat de draagmoeder en de eiceldonor de juridische en medische bijstand hebben gehad die vereist is om te kunnen oordelen dat sprake is van een zorgvuldig traject, gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind, de draagmoeder als de wensouders in kwestie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap zoals opgenomen in het adviesrapport ‘Kind en ouders in de 21e eeuw’ van 7 december 2016 en de door het kabinet in zijn brief van 12 juli 2019 (kamerstukken TK 2018/2019, 33836, nr. 45) geformuleerde waarborgen om het traject zorgvuldig en transparant te laten verlopen en zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan de draagmoeder, de wensouders en het kind. Daaruit volgt dat het voor kinderen van groot belang is om te (kunnen) achterhalen uit wie zij zijn geboren, van wie zij genetisch afstammen en onder welke omstandigheden zij zijn ontstaan en geboren. Het recht van het kind om zijn of haar afstamming te kennen is een mensenrecht dat is opgenomen in artikel 7 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De rechtbank heeft verzoekers daarnaast voorgehouden dat de rechtbank niet tot toewijzing van de oorspronkelijke verzoeken kan komen omdat er aanwijzingen zijn dat verzoekers in [land 1] noch bij de autoriteiten die de geboorteakten hebben opgemaakt noch tijdens de gerechtelijke procedure met betrekking tot het gezag, volledige openheid van zaken hebben gegeven over het door hen doorlopen traject. Meer specifiek lijkt het erop dat verzoekers onvermeld hebben gelaten dat het gaat om een traject van draagmoederschap waarbij de wensouders van gelijk geslacht zijn. In de uitspraak van de [plaatselijk] rechter staan namelijk feitelijke onjuistheden, zoals dat de kinderen zijn geboren uit een relatie tussen [verzoeker 2] en de draagmoeder en dat [verzoeker 2] na het beëindigen van de relatie kennis heeft genomen van de zwangerschap. Daarmee komt naar het oordeel van de rechtbank deze uitspraak niet voor erkenning in aanmerking, omdat het erkennen van een buitenlandse rechterlijke uitspraak die is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie in strijd komt met de Nederlandse openbare orde. Dat brengt mee dat ook de geboorteakten niet kunnen worden ingeschreven. Dit heeft geleid tot aanpassing van de verzoeken. De rechtbank beoordeelt de gewijzigde verzoeken als volgt.
Verklaring voor recht juridisch vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Verzoekers verblijven met de kinderen in [land 1]. [verzoeker 2] werkt voor de Nederlandse overheid en heeft in verschillende landen gewerkt. Momenteel is [verzoeker 2] gestationeerd in [land 1]. Hiervoor waren verzoekers gestationeerd in [land 3] en binnenkort zullen zij naar [land 4] verhuizen. Verzoekers hebben de Nederlandse nationaliteit, hebben een koopwoning in [plaats], zijn in Nederland gehuwd, hebben hun gezin in Nederland gestart en voorzien dat zij weer naar Nederland terugkomen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende verbondenheid is met de Nederlandse rechtssfeer om op grond van artikel 3 onder Pro c Rv rechtsmacht aan te nemen om van het verzoek kennis te nemen.
Of erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wordt, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning, op grond van artikel 10:95 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit, in dit geval het Nederlandse recht.
Ongeacht het ingevolge artikel 10:95 eerste Pro lid BW toepasselijke recht, is op de toestemming van de moeder tot de erkenning toepasselijk het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. De draagmoeder heeft de [plaatselijk] nationaliteit. Naar [plaatselijk] recht (§ 1548 Burgerlijk en Handelswetboek jo. art. 19 Familieregistratiewet Pro) is de toestemming van de moeder vereist voor de erkenning van het kind
[verzoeker 2] heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 11 maart 2019 prenataal erkend met toestemming van de draagmoeder, zodat sprake is van een rechtsgeldige erkenning. Hiermee staat vast dat [verzoeker 2] de juridische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zodat het verzoek kan worden toegewezen.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 5 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996 is de rechter van de gewone verblijfplaats van de kinderen bevoegd maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of vermogen. Ingevolge artikel 16, eerste lid van voornoemd verdrag wordt de vraag of de vader dan wel de moeder dan wel de ouders gezamenlijk van rechtswege ouderlijke verantwoordelijkheid hebben verkregen over de kinderen, beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is en legt dit als volgt uit.
[verzoeker 2] is diplomaat voor de Nederlandse overheid en is gestationeerd geweest op verschillende locaties buiten Nederland. Zo is [verzoeker 2] eerder gestationeerd geweest in [land 3], nu in [land 1] en zal hij binnenkort worden uitgezonden naar [land 4]. Verzoekers zien Nederland echter als hun thuisland waar zij hun basis hebben. Zij keren regelmatig terug naar Nederland, hebben hier een koophuis en hun familie woont in Nederland. Verzoekers zullen uiteindelijk ook met de kinderen terugkeren naar Nederland. Omdat het gezin een bijzondere diplomatieke status heeft in de landen waar zij woonden, en zij nooit de intentie hebben gehad om zich daar permanent te vestigen, is de rechtbank van oordeel dat Nederland als de gewone verblijfplaats van het gezin moet worden aangemerkt, omdat in Nederland het permanente centrum van hun belangen ligt.
Daarbij weegt mee dat is gebleken dat het voor [verzoeker 2], gelet op zijn diplomatieke status, bijzonder moeilijk is om bij een buitenlandse rechtbank een procedure te voeren. Zijn status brengt mee dat [verzoeker 2] absolute immuniteit geniet ten aanzien van de rechtsmacht van de ontvangende staat. Uit de stukken blijkt dat ter gelegenheid van de procedure over het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in [land 1], aan de Nederlandse overheid is verzocht deze diplomatieke immuniteit op te heffen. Het ministerie heeft geen afstand gedaan van de immuniteit van [verzoeker 2]. Omdat de [plaatselijk] overheid uiteindelijk oordeelde dat de gezagskwestie met behoud van immuniteit in [land 1] behandeld kon worden, heeft de [plaatselijk] rechter toch rechtsmacht aangenomen en geoordeeld over het gezag wat heeft geleid tot de beslissing van 14 november 2023. Er kan niet van worden uitgegaan dat [verzoeker 2] nogmaals een procedure over deze kwestie in [land 1] aanhangig kan maken.
Het voorgaande betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek om [verzoeker 2] met het eenhoofdig gezag te belasten.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben twee juridische ouders: de draagmoeder omdat de kinderen uit haar zijn geboren en [verzoeker 2] als gevolg van de erkenning. In 2019 bracht erkenning nog geen gezag van rechtswege met zich. Dit betekent dat de draagmoeder het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
Op grond van artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
De rechtbank wijst het verzoek om [verzoeker 2] met het eenhoofdig gezag te belasten toe. Uit de verklaring van de draagmoeder van 28 april 2021 blijkt dat zij afstand heeft gedaan van al haar rechten en plichten jegens de kinderen. Het is de rechtbank genoegzaam gebleken dat de draagmoeder nooit de intentie heeft gehad om een moederrol in het leven van de kinderen te vervullen en dat de kinderen van haar niets in de rol van ouder te verwachten hebben. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden sinds hun geboorte door verzoekers verzorgd en opgevoed. Zij nemen sindsdien alle beslissingen over hen en zij vormen, samen met [minderjarige 3], met elkaar een gezin. De rechtbank acht het daarom in hun belang dat [verzoeker 2] met het gezag over hen wordt belast en zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Adoptie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Onder verwijzing naar hetgeen onder het kopje juridisch vaderschap is overwogen ten aanzien van de rechtsmacht, neemt de rechtbank ook hier op grond van artikel 3 onder Pro c Rv rechtsmacht aan.
Op grond van artikel 10:105 eerste Pro lid BW is op een in Nederland uit te spreken adoptie, behoudens het tweede lid, het Nederlandse recht van toepassing. Op grond van 10:105 tweede lid BW is het [plaatselijk] recht van toepassing op de toestemming dan wel de raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind.
De rechtbank belast [verzoeker 2] met ingang van de datum van deze beschikking met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[verzoeker 2], geboren op [geboortedatum 4] 1966 te [geboorteplaats 4] en [verzoeker 1], geboren op [geboortedatum 5] 1977 te [geboorteplaats 5], [geboorteland], zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen vanaf hun geboorte bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. [verzoeker 1] heeft hen sindsdien met [verzoeker 2] verzorgd en opgevoed, derhalve gedurende een periode van ten minste één jaar.
Bij de stukken bevindt zich een schriftelijke verklaring van de draagmoeder van 28 april 2021, waarin zij instemt met de adoptie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten gunste van [verzoeker 1].
Het is de rechtbank voldoende gebleken dat de kinderen over de gevolgen van de adoptie zijn voorgelicht in de mate die past bij hun leeftijd en peil van ontwikkeling.
Nu aan de vereisten zoals genoemd in de artikelen 1:227 en 1:228 BW – voor zover in deze zaak van toepassing – is voldaan, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie toewijzen.
Verzoekers staan reeds in familierechtelijke betrekking tot een ander kind dat de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’ heeft. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen daarom op grond van artikel 1:5 achtste Pro lid BW van rechtswege de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder sub m van het Besluit gezagsregisters tevens bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak ten aanzien van de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.
Nadat deze beschikking onherroepelijk is geworden, zullen verzoekers gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitoefenen.
Vaststelling geboortegegevens
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Ook hier neemt de rechtbank op grond van artikel 3 onder Pro c Rv rechtsmacht aan.
Omdat het gaat om het vaststellen van de noodzakelijke gegevens voor het opmaken van de geboorteakte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en tot opname daarvan in de Nederlandse registers, zal de rechtbank het Nederlandse recht als haar interne recht toepassen op het verzoek.
Artikel 1:25c BW bepaalt:
1. Indien ten aanzien van een buiten Nederland geboren persoon geen akte van
geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan worden overgelegd, kan op verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage de rechtbank Den Haag de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:
die persoon Nederlander is of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest;
die persoon rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8&g=2026-02-09&z=2026-02-09);
op grond van dit boek een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
2. De rechtbank houdt rekening met alle bewijzen en aanwijzingen omtrent de
omstandigheden waaronder, en het tijdstip waarop de geboorte moet hebben
plaatsgehad. De geslachtsnaam, de voornamen, alsmede de plaats en de dag van de geboorte van de vader en van de moeder worden vastgesteld, voor zover daarvoor aanwijzingen zijn verkregen.
3. In geval van adoptie geeft de rechtbank die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de in het eerste lid bedoelde beschikking.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op grond van artikel 3 eerste Pro lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap (oud) door afstamming van een Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkregen.
Ten aanzien van de minderjarigen zijn geen voor inschrijving in de Nederlandse registers vatbare geboorteakten opgemaakt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen zijn de in [land 1] opgemaakte geboorteakten van de kinderen niet voor inschrijving in de Nederlandse registers vatbaar wegens strijd met de Nederlandse openbare orde.
De ambtenaar heeft geadviseerd omtrent de wijze van vaststelling van de geboortegegevens van de kinderen. Verzoekers hebben hiermee ingestemd.
De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de in het geding gebrachte stukken voldoende aanwijzingen zijn verkregen omtrent de omstandigheden waaronder en de datum waarop de geboorte van voornoemde minderjarigen moet hebben plaatsgehad.
De rechtbank zal op grond van artikel 1:25c derde lid BW ambtshalve de geboortegegevens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vaststellen, een en ander overeenkomstig het voorstel van de ambtenaar. Omdat de erkenning van de kinderen door [verzoeker 2] rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en de kinderen voor hun geboorte zijn erkend, zullen zijn gegevens als vadergegevens worden vastgesteld en krijgen de kinderen de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’. Van de erkenning wordt tevens een latere vermelding aan de geboorteakte van de kinderen toegevoegd. Na het onherroepelijk worden van deze beschikking zullen de kinderen als gevolg van de adoptie de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’ hebben.

Beslissing

De rechtbank:
*
verklaart voor recht dat [verzoeker 2], geboren op [geboortedatum 4] 1966 te [geboorteplaats 4] de juridische vader is van de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2], [land 1], en
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2], [land 1];
*
belast de vader, [verzoeker 2], geboren op [geboortedatum 4] 1966 te [geboorteplaats 4], met ingang van de datum van deze beschikking met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
spreekt uit de adoptie van:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2], [land 1], en
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2], [land 1],
door [verzoeker 1], geboren op [geboortedatum 5] 1977 te [geboorteplaats 5], [geboorteland],
juridisch ouder naast: [verzoeker 2];
*
bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking;
*
stelt de volgende voor het opmaken van een geboorteakte van [minderjarige 1] noodzakelijke gegevens vast:
Geslachtsnaam : [geslachtsnaam]
Voornamen : [voornamen 1]
Geboortedatum : [geboortedatum 2]2019
Geboorteplaats : [geboorteplaats 2], [land 1]
Geslacht : F (vrouwelijk)
Geslachtsnaam vader : [verzoeker 2]
Voornamen vader : [verzoeker 2]
Geboortedatum vader : [geboortedatum 4]1966
Geboorteplaats vader : [geboorteplaats 4]
Geslachtsnaam moeder : [naam 3]
Voornaam moeder : [naam 3]
Geboortedatum moeder : [geboortedatum 1]1992
Geboorteplaats moeder : [geboorteplaats 1], [land 1]
*
stelt de volgende voor het opmaken van een geboorteakte van [minderjarige 2] noodzakelijke gegevens vast:
Geslachtsnaam : [geslachtsnaam]
Voornamen : [voornamen 2]
Geboortedatum : [geboortedatum 2]2019
Geboorteplaats : [geboorteplaats 2], [land 1]
Geslacht : M (mannelijk)
Geslachtsnaam vader : [verzoeker 2]
Voornamen vader : [verzoeker 2]
Geboortedatum vader : [geboortedatum 4]1966
Geboorteplaats vader : [geboorteplaats 4]
Geslachtsnaam moeder : [naam 3]
Voornaam moeder : [naam 3]
Geboortedatum moeder : [geboortedatum 1]1992
Geboorteplaats moeder : [geboorteplaats 1], [land 1]
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, C.L. Strop en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2026.