Uitspraak
Beschikking op het op 19 juni 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
de ambtenaar van de burgerlijke stand,
Procedure
Feiten
Verzoek en verweer
’s-Gravenhage gelast van de Amerikaanse geboorteakte van de door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in Missouri, VS, opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] , opgemaakt op 12 maart 2024 met vermelding van verzoekers als ouders;
Beoordeling
Kamerstukken II1995/96, 24649, nr. 3 (hierna: MvT), blijkt dat de wetgever destijds, bij het bepalen van de term “moeder” van het kind ook heeft stilgestaan bij de bijzondere wijzen van voortplanting. De MvT zegt daarover op pagina 7:
De moeder van het kind is de vrouw die het kind heeft gebaard, ook als het genetische materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Het gaat mij te ver om, nu er technische mogelijkheden tot embryodonatie zijn voor alle gevallen het vaste uitgangspunt ten aanzien van het moederschap te vervangen door een vermoeden van moederschap dat zonodig door de vrouw die het kind heeft gebaard of het kind en eventueel door de vader kan worden ontkracht. Het gegeven dat de vrouw op deze wijze een kind wilde krijgen, de zwangerschap en de geboorte vormen voor deze opvatting voldoende grondslag.” Er is destijds, dus al in 1995, door de wetgever nagedacht over een mogelijkheid om het vaste uitgangspunt dat de moeder van het kind altijd de vrouw is uit wie het kind geboren is, te verlaten. Daar is weliswaar vanaf gezien, maar het idee dat de moeder een ander kan zijn, was geaccepteerd.
’s-Gravenhage. De rechtbank zal dan ook de ambtenaar op grond van artikel 1:26b BW in samenhang met artikel 1:25 BW Pro gelasten deze geboorteakte van [minderjarige] in te schrijven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.