Partijen zijn gehuwd geweest van 2008 tot 2021 en hebben drie minderjarige kinderen met hoofdverblijfplaats bij de moeder. Beide ouders oefenden gezamenlijk gezag uit en hadden een ouderschapsplan opgesteld. De moeder verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, omdat de vader sinds de zomervakantie van 2024 geen contact meer heeft met haar en de kinderen.
De rechtbank nam kennis van het verzoekschrift en de stukken, en behandelde de zaak op 11 februari 2026. De vader was, ondanks behoorlijke oproeping, niet verschenen en voerde geen verweer. De kinderen bevestigden in een kindgesprek dat zij geen contact meer hebben met hun vader omdat hij dit zelf heeft beëindigd.
De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die het gezamenlijk gezag onmogelijk maakt. De moeder wordt belemmerd in het nemen van belangrijke gezagsbeslissingen, zoals het aanvragen van paspoorten en toestemming voor vakanties. De vader lijkt feitelijk niet langer invulling te geven aan zijn ouderlijk gezag, wat leidt tot onzekerheid en vertraging die nadelig zijn voor de kinderen.
Gelet op het belang van de kinderen en het ontbreken van verweer van de vader, besloot de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en werd uitgesproken op 11 maart 2026.