De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot haar meerderjarigheid. De kinderrechter heeft op 12 maart 2026 een zitting gehouden waarbij de ouders en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De minderjarige is gehoord en haar situatie is besproken.
De feiten tonen dat het huwelijk van de ouders is ontbonden en dat de minderjarige bij haar vader woont. Eerder was de minderjarige onder toezicht gesteld tot 14 maart 2026. De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging omdat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd door recente escalaties binnen het gezin, met name tussen de moeder en de minderjarige, en spanningsklachten zoals rug- en buikpijn.
Zowel de vader als de moeder stemmen in met de verlenging. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld, mede gezien de loyaliteitsconflicten van de minderjarige en de noodzaak van voortzetting van hulpverlening. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.