Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8722

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/09/698226 / JE RK 26-110
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in netwerkpleegzorg

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, die momenteel verblijft bij de oma moederszijde. De minderjarige toont positieve ontwikkelingen, maar heeft een hechtingsstoornis en nog geen spraakontwikkeling. De moeder is sinds januari 2026 in Nederland om aan de hechting te werken, maar heeft nog geen vaste woonruimte en het contact met de minderjarige is beperkt door praktische omstandigheden.

De moeder wil betrokken blijven en werken aan de opvoeding, maar het contact verloopt moeizaam en is nog pril. De oma moederszijde vangt de minderjarige op en biedt stabiliteit, hoewel de verstandhouding met de moeder nog niet optimaal is. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de machtiging wordt verlengd om de rust en stabiliteit voor de minderjarige te waarborgen.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na de uitspraak of betekening. De kinderrechter concludeert dat de verlenging in het belang is van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 25 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/698226 / JE RK 26-110
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [land], op dit moment verblijvend in Nederland,
[oma moederszijde],
hierna te noemen de oma moederszijde,
wonende in [plaats].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de oma moederszijde met een tolk Spaans;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de oma moederszijde.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 september 2026 en de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 25 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt onderbouwd. In het afgelopen half jaar is [minderjarige] met veel plezier naar [instantie 1] gegaan. Hij laat zien dat hij meer contact kan maken door mensen aan te kijken en hen op te zoeken. Praten gaat nog niet zo goed maar hij lijkt dit wel te willen. [minderjarige] is sinds 12 januari 2026 gestart bij de [locatie] van [instantie 2]. Daarnaast is [instantie 3] gestart met Samenspel begeleiding bij de oma moederszijde. [instantie 3] heeft [minderjarige] onderzocht en aangegeven dat hij geen autisme heeft maar een hechtingsstoornis. Er wordt nog onderzocht waarom [minderjarige] niet praat, maar hij laat wel hoopvolle stappen zien in het maken van contact. De afgelopen periode is er bij de moeder aangegeven dat het van groot belang is dat zij naar Nederland komt om te kunnen werken aan de doelen en de hechting met [minderjarige], omdat alleen videobellen daarvoor onvoldoende is. De moeder is sinds januari 2026 in Nederland, maar door verschillende omstandigheden, waaronder de wachtlijst voor de bezoekruimte en de beperkte mogelijkheden van de jeugdbeschermer om de bezoeken te kunnen begeleiden, is het pas één keer gelukt om een bezoekmoment met [minderjarige] te regelen. Tijdens het bezoek werd gezien dat [minderjarige] nog aan de moeder moest wennen. Er staat op korte termijn nog een bezoekmoment gepland en de moeder staat op de wachtlijst voor begeleide omgang zodat het bezoek vaker kan worden ingepland en het contact tussen de moeder en [minderjarige] geobserveerd kan worden. De komende periode zal het contact tussen de moeder en [minderjarige] verder opgebouwd worden en gekeken worden hoe de moeder kan aansluiten bij [minderjarige] en de hulpverlening en of de moeder op termijn in staat is om de volledige verzorging en opvoeding voor [minderjarige] te kunnen dragen. Daarbij is het van belang dat de situatie voor [minderjarige] zo stabiel mogelijk blijft en de verstandhouding tussen de moeder en de oma moederszijde verbetert.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij sinds 31 januari 2026 in Nederland is. De moeder heeft nog geen vaste woning en verblijft wisselend bij kennissen, in hostels en bij het Leger des Heils. De opvang zit vol en de moeder staat op een wachtlijst, maar moet minstens vier maanden wachten op een woonruimte. De moeder heeft een partner en werkt in [land] en kan daar voor [minderjarige] zorgen. De moeder denkt dat [minderjarige] autisme heeft. Eerder was hij nog te jong om gediagnosticeerd te kunnen worden. De moeder begrijpt dat [minderjarige] op dit moment nog niet naar haar terug kan. De komende periode wil de moeder zo veel mogelijk betrokken worden bij [minderjarige].
4.2.
De oma moederszijde heeft naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige]. Er komt een therapeut bij de oma moederszijde langs en de oma moederszijde krijgt ook veel steun van haar zus en dochter. De oma moederszijde vindt het goed van de moeder dat ze naar Nederland is gekomen zodat ze ook fysiek contact kan hebben met [minderjarige]. Het contact tussen de oma moederszijde en de moeder verloopt nog moeizaam. De zoon van de oma moederszijde regelt daarom vaak het contact tussen hen. De oma moederszijde kan [minderjarige] blijven opvangen en wil het beste voor hem.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[minderjarige] heeft de afgelopen periode voorzichtig positieve stappen in zijn ontwikkeling laten zien en er worden nog verschillende mogelijkheden voor behandelingen gezien. De moeder is vanuit [land] naar Nederland gekomen om te werken aan de doelen en de band met [minderjarige] zodat ook gekeken kan worden of een terugplaatsing bij de moeder mogelijk is. De moeder verblijft sinds eind januari 2026 in Nederland, maar ze heeft nog geen woonruimte of inkomen en het is onduidelijk hoe lang dat nog zal duren. Het bezoek tussen de moeder en [minderjarige] is pas één keer van de grond gekomen. De moeder staat op een wachtlijst om de bezoeken door een organisatie te laten begeleiden zodat er meer bezoeken ingepland kunnen worden en het contact tussen de moeder en [minderjarige] geobserveerd kan worden. Het is van belang dat dit zo snel mogelijk op gang komt zodat de moeder ook daadwerkelijk fysiek contact kan hebben met [minderjarige] en kan werken aan de doelen en de hechtingsrelatie, waarvoor zij naar Nederland is gekomen. Verder dient er komende periode ook aandacht te zijn voor het verbeteren van de communicatie tussen de oma moederszijde en de moeder. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat [minderjarige] de komende periode bij de oma moederszijde kan blijven wonen waar hij de rust en stabiliteit ervaart die hij nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom toewijzen zoals verzocht.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 25 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.