Uitspraak
Gezag
Beschikking op het op 20 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
[de moeder],
Procedure
- het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
- het bericht van 15 december 2025, met bijlage, namens de vader.
Feiten
- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- Bij beschikking van deze rechtbank van 21 januari 2022 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 oktober 2021 de kinderen van 22 oktober 2021 tot 1 november 2021 voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling en de gecertificeerde instelling gemachtigd de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen, [minderjarige 1] bij de oma vaderszijde, [minderjarige 2] bij de opa en oma moederszijde.
- De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2021 de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling en de gecertificeerde instelling gemachtigd de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (de rechtbank begrijpt: bij de grootouders). De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen zijn steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank van 16 januari 2025 voor de duur van 21 januari 2025 tot 21 januari 2026.
- De kinderen verblijven sinds een aantal jaren beiden met de vader bij de oma vaderszijde.
- De ouders en de kinderen hebben de Marokkaanse nationaliteit.
Verzoek en verweer
- het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt beëindigd en dat het gezag over de kinderen voortaan aan de vader toekomt;
- van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde openbare register,
Beoordeling
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 1];
mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 13 maart 2026.