De minderjarige verblijft sinds februari 2025 in Nederland en volgt een cognitieve gedragsbehandeling in een gesloten jeugdhulpaccommodatie. De voorlopige voogd, belast met de voogdij, wenst deze niet voort te zetten vanwege meningsverschillen over het perspectief van de minderjarige.
De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank om een nieuwe voogd te benoemen. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is op grond van de verbondenheid van de zaak met Nederland en past Nederlands recht toe. De moeder van de minderjarige heeft geen ouderlijk gezag meer.
De beoogd voogd heeft zich bereid verklaard de voogdij te aanvaarden. De minderjarige heeft schriftelijk en mondeling aangegeven in Nederland te willen blijven voor haar behandeling en veilige omgeving. De rechtbank wijst het verzoek toe en benoemt de beoogd voogd, waarbij de beschikking direct uitvoerbaar is verklaard.