Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/09/685294 / FA RK 25-3637
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:295 BWArt. 5 RvArt. 1 RvArt. 262-268 RvArt. 269 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming voogd voor minderjarige ter continuering van behandeling en begeleiding

De minderjarige verblijft sinds februari 2025 in Nederland en volgt een cognitieve gedragsbehandeling in een gesloten jeugdhulpaccommodatie. De voorlopige voogd, belast met de voogdij, wenst deze niet voort te zetten vanwege meningsverschillen over het perspectief van de minderjarige.

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank om een nieuwe voogd te benoemen. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is op grond van de verbondenheid van de zaak met Nederland en past Nederlands recht toe. De moeder van de minderjarige heeft geen ouderlijk gezag meer.

De beoogd voogd heeft zich bereid verklaard de voogdij te aanvaarden. De minderjarige heeft schriftelijk en mondeling aangegeven in Nederland te willen blijven voor haar behandeling en veilige omgeving. De rechtbank wijst het verzoek toe en benoemt de beoogd voogd, waarbij de beschikking direct uitvoerbaar is verklaard.

Uitkomst: De rechtbank benoemt Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis tot voogd over de minderjarige en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3637
Zaaknummer: C/09/685294
Datum beschikking: 13 maart 2026

Voorziening in de voogdij ex artikel 1:295 BW Pro

Beschikking op het op 8 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,

hierna: de Raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, Regio [plaats],

de voogdes,

Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats],

de beoogd voogdes,
en

[minderjarige] (hierna: [minderjarige]),

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteland].

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het pro forma verzoekschrift van 8 mei 2025;
  • de e-mail van [minderjarige] van 31 januari 2026;
  • het verzoekschrift van 10 februari 2026, inclusief bijlagen, waaronder het rapport van de Raad met kenmerk KZ-1-68YWN64 van 9 februari 2026.
Op 23 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen [naam 1] namens de Raad en [naam 2] en [naam 3] namens de voogdes. De beoogd voogdes is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.
De [minderjarige] heeft haar mening schriftelijk kenbaar gemaakt en heeft zich op 6 maart 2026 ook in een gesprek met de rechter (via een videoverbinding) uitgelaten over het verzoek.

Feiten

  • [minderjarige] verblijft sinds 10 februari 2025 in Nederland.
  • Bij beschikkingen van deze rechtbank van 7 februari 2025 en 20 februari 2025 is de voogdes belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige]. Omdat de Raad in de onderhavige zaak op 8 mei 2025 een verzoek tot voorziening in de voogdij heeft ingediend, loopt deze voogdij door totdat op dit verzoek is beslist.
  • Bij beschikking van 3 november 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland de voogdes een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 3 november 2025 tot 3 februari 2026.
  • Bij beschikking van 28 januari 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland de voogdes een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 januari 2026 tot 28 april 2026.
  • [minderjarige] verblijft sinds 10 februari 2025 in Nederland en zij verblijft op dit moment in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp van [instantie] in [plaats].

Verzoek

De Raad verzoekt de rechtbank in het kader van artikel 1:295 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de beoogd voogdes (Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats]) tot voogd te benoemen over [minderjarige].

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Naar het oordeel van de rechtbank is zij bevoegd om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel bepaalt dat de dat de Nederlandse rechter onverminderd artikel 1 Rv Pro in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, waarin hij zich in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Daarvoor is vereist dat de zaak zodanige aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland heeft, dat het belang van het kind, dat zijn gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, het noodzakelijk maakt dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart.
Uit het verzoekschrift en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp in Nederland verblijft en dat het noodzakelijk is dat zij de cognitieve gedragsbehandeling die zij hier nu volgt, kan afronden en kan opvolgen met de benodigde traumabehandeling. Op basis hiervan is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
Nu op grond van de artikelen 262-268 Rv geen bevoegde rechter in Nederland wordt aangewezen, is de rechter in Den Haag bevoegd om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 269 Rv Pro. Daarop zal de rechter Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is gebleken dat de moeder van [minderjarige], die woonachtig is in [land], geen ouderlijke gezag meer heeft. Op dit moment voert de voogdes de voorlopige voogdij uit, maar de voogdes wenst de uitvoering van de voogdij niet voort te zetten. Het is de rechtbank gebleken dat de voornaamste reden hiervoor is dat de voogdes als organisatie en de [landelijke] Voogdijraad van mening verschillen over het perspectief van [minderjarige]. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het voorgaande dat er niet duurzaam in het gezag van [minderjarige] is voorzien en dat er een voorziening in het gezag noodzakelijk is, ook om te waarborgen dat de huidige cognitieve gedragsbehandeling van [minderjarige] gecontinueerd kan worden en er daarna kan worden gestart met traumabehandeling.
De beoogd voogdes (Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats]) heeft zich schriftelijk bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.
Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van [minderjarige] zich niet tegen de verzochte voorziening in de voogdij. [minderjarige] heeft in haar brief en het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij graag in Nederland wil blijven zodat zij haar behandeling en begeleiding kan voortzetten en naar school kan blijven gaan in een veilige omgeving. Hoewel zij blij is met haar huidige voogden van het Leger des Heils, geeft [minderjarige] aan dat zij – gelet op de omstandigheden – begrijpt dat voortaan Jeugdbescherming Noord met de voogdij wordt belast.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de Raad als gegrond op de wet toewijzen en de beoogd voogdes belasten met het gezag over [minderjarige].

Beslissing

De rechtbank:
*
benoemt Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats] tot voogdes over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteland];
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 13 maart 2026.