Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/09/698899 / JE RK 26-178
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met beoordeling opvoedbesluit gezinshuis

De rechtbank Den Haag heeft op 13 maart 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van deze maatregelen voor de duur van een jaar en tevens om beoordeling van het opvoedbesluit dat het perspectief van de kinderen niet bij de ouders, maar in het gezinshuis ligt.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de gecertificeerde instelling, de vader met begeleider en één van de gezinshuisouders aanwezig. De moeder en de andere gezinshuisouder waren afwezig maar correct opgeroepen. De kinderen werden gehoord via een gesprek met een rechter. De vader stemde in met het verzoek en erkende dat het gezinshuis de beste plek is voor de kinderen. De moeder is niet in contact en haar situatie is zorgelijk.

De rechtbank oordeelde dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijven vanwege de onveilige thuissituatie en de persoonlijke problematiek van de ouders. De kinderen zijn veilig gehecht aan de gezinshuisouders en maken positieve ontwikkelingsstappen. Het opvoedbesluit is op goede gronden genomen en wordt bevestigd. De rechtbank benadrukte het belang van contact tussen de kinderen en hun ouders, waarbij de gecertificeerde instelling een actieve rol moet blijven spelen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verlenging wordt ingeschreven in het gezagsregister. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en bevestigt dat het opvoedperspectief bij het gezinshuis ligt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/698899 / JE RK 26-178
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
per briefadres te [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[gezinshuisouder 1]en
[gezinshuisouder 2],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;
- het bericht van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 6 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] namens de gecertificeerde instelling (via een telefonische verbinding);
  • de vader, ondersteund door zijn begeleider, mevrouw [naam 2] (als toehoorder);
  • de gezinshuisouder, [gezinshuisouder 1] .
De moeder en de heer [gezinshuisouder 2] zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met één van de rechters van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter van de meervoudige kamer samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De kinderen zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen verblijven bij de gezinshuisouders.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2025 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 2 april 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt verder om het opvoedbesluit te beoordelen. Dat besluit houdt in dat het perspectief van de kinderen niet bij (één van) de ouders maar in het gezinshuis ligt. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Hoewel de kinderen in het gezinshuis positieve stappen zetten in hun ontwikkeling, zijn er nog steeds zorgen over hen. De kinderen hebben veel meegemaakt in de thuissituatie, die gekenmerkt werd door onrust en spanning. De kinderen volgen op dit moment speltherapie om de heftige gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Na de uithuisplaatsing is onderzocht of de kinderen, met inzet van intensieve hulpverlening vanuit [hulpverlener] , weer thuis konden wonen. In de periode na de uithuisplaatsing is de leefsituatie van de ouders echter verslechterd. Er hebben zich meerdere geweldsincidenten voorgedaan en er waren zorgen over vermoedelijk middelengebruik en prostitutie. Na een incident van mishandeling heeft de vader de woning verlaten en hij woont nu begeleid bij [instelling 1] . De vader heeft zijn leven inmiddels weer redelijk op de rit. Hij accepteert hulpverlening en houdt zich aan de afspraken. Hij ziet de kinderen onder begeleiding: één keer per maand is er een fysiek omgangsmoment en één keer in de week is er een belafspraak. De fysieke omgang wordt vier keer per jaar in [plaats 2] gepland om de vader tegemoet te komen in het reizen. De afgelopen periode is gebleken dat er geen verbetering is gekomen in de persoonlijke situatie van de moeder. Ondanks alle inspanningen is het niet gelukt om afspraken met de moeder te maken over contact met de kinderen. De kinderen zijn hier heel verdrietig over en zij begrijpen niet waarom de moeder geen contact opneemt. De kinderen hebben de moeder inmiddels al meer dan een jaar niet gezien of gesproken. Het is positief dat de kinderen het naar hun zin hebben in het gezinshuis en dat zij zich daar goed ontwikkelen. Zij hebben wel behoefte aan duidelijkheid over waar zij zullen opgroeien. Duidelijk is dat de kinderen niet bij de moeder kunnen opgroeien. Ook plaatsing bij de vader is niet aan de orde, omdat hij nog de nodige stappen moet zetten in zijn persoonlijke situatie. De gecertificeerde instelling heeft daarom besloten dat het perspectief van de kinderen niet bij (één van) de ouders ligt maar in het gezinshuis. De gecertificeerde instelling blijft zich inzetten voor passend en voorspelbaar contact tussen de vader en de kinderen en zal contact blijven zoeken met de moeder. Daarbij wordt steeds gekeken wat voor de kinderen haalbaar en veilig is.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft ingestemd met het verzoek. De vader heeft naar voren gebracht dat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Hij woont begeleid en is blij met de begeleiding vanuit [instelling 1] . De vader is de gezinshuisouders dankbaar. Hij beseft namelijk dat hij de kinderen niet dezelfde zorg kan bieden als de gezinshuisouders. De kinderen worden goed verzorgd in het gezinshuis en hebben het daar naar hun zin. De vader wil dan ook graag dat de kinderen in het gezinshuis blijven wonen en hij staat achter het genomen opvoedbesluit. De vader is niet tevreden over de samenwerking met de gecertificeerde instelling. Er wordt niet gecommuniceerd met de vader. Ook stoort het hem dat informatie van derden wordt overgenomen door de gecertificeerde instelling zonder deze eerst te verifiëren. Hierdoor ontstaat er een verkeerd beeld van de vader. De vader hoopt een nieuwe start te kunnen maken met de nieuwe jeugdbeschermer die recent is gestart. Verder is het belangrijk dat er gekeken wordt naar de omgangsmomenten. De vader staat onder bewind, waardoor hij niet genoeg geld heeft voor het reizen naar de omgangsmomenten. De vader zou, net als de kinderen, willen dat de omgang wordt uitgebreid, maar volgens de vader is het geen optie dat de kinderen nu al een weekend bij hem komen logeren. Dat moet rustig opgebouwd worden. Wel zou de vader wat langer met de kinderen willen bellen. De vader heeft moeite met de omgangsbegeleiding vanuit [instelling 2] . De begeleider grijpt te snel in, terwijl de vader zich netjes aan de afspraken houdt en hij niet tegen de kinderen begint over onderwerpen die niet met de kinderen besproken mogen worden.
4.2.
De gezinshuisouder heeft naar voren gebracht dat de kinderen zolang als nodig in het gezinshuis kunnen blijven. Hij geeft verder aan dat de gezinshuisouders zoveel mogelijk meewerken om de omgangsmomenten te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld door te reizen met de kinderen. Dat neemt niet weg dat dit wel haalbaar moet zijn en blijven voor het gezinshuis. De gezinshuisouders zien het niet zitten om de belcontacten tussen de vader en de kinderen zelf te begeleiden, omdat zij niet degenen willen zijn die een belmoment eventueel moeten afbreken als de afspraken niet worden nageleefd. De gezinshuisouders willen juist een neutrale rol houden. De gezinshuisouder wil verder benoemen dat er een veiligheidsmelding is gemaakt naar aanleiding van een uitspraak van een ander kind dat in het gezinshuis woont. Deze melding is inmiddels afgesloten omdat er geen gronden waren om aan te nemen dat de veiligheid van de kinderen in geding was. De gezinshuisouder vindt het belangrijk hier transparant over te zijn en dit te benoemen.

5.De beoordeling

5.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarbij heeft de gecertificeerde instelling de rechtbank verzocht het door haar genomen opvoedbesluit, inhoudende dat er niet meer wordt gewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij (één van de) ouders, te beoordelen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 volgt dat er geen zelfstandige rechtsgang is waarin het opvoedbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd, maar dat de rechter een opvoedbesluit wel mag beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opvoedperspectief van de minderjarige(n). [1] De rechtbank is dan ook bevoegd om zich in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing uit te laten over het door de gecertificeerde instelling geformuleerde opvoedbesluit. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat nog altijd wordt voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. [2] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. [3] Tevens is de rechtbank van oordeel dat de gecertificeerde instelling het opvoedbesluit op goede gronden heeft genomen en dat het perspectief van de kinderen niet langer bij (één van) de ouders, maar in het gezinshuis ligt.
5.2.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Hoewel de kinderen positieve stappen zetten in het gezinshuis, zijn er nog altijd zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen hebben al veel meegemaakt in hun leven, waaronder spanningen en onveilige situaties in de opvoedomgeving bij de ouders, persoonlijke problematiek van beide ouders, een uithuisplaatsing en een contactbreuk met de moeder. Beide kinderen ontvangen op dit moment speltherapie om de heftige gebeurtenissen uit het verleden te kunnen verwerken. De kinderen verblijven nu al geruime tijd - sinds juni 2024 - bij de gezinshuisouders. De kinderen zijn veilig gehecht aan de gezinshuisouders en zij kunnen voorzien in de opvoedbehoeften van de kinderen. De huidige plaatsing lijkt dan ook passend te zijn voor de kinderen en zij kunnen daar voor langere tijd blijven. De afgelopen periode is gebleken dat zowel de vader als de moeder niet, althans onvoldoende, in staat is om de zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Voor de moeder geldt dat er nog altijd geen verbetering is gekomen in haar persoonlijke situatie. Zij is volledig uit contact met de gecertificeerde instelling en naar verluidt leeft zij op straat. De rechtbank heeft grote zorgen over het welzijn van de moeder en hoopt dat het de gecertificeerde instelling alsnog lukt met haar in contact te komen, met name om afspraken te maken over de omgang tussen de moeder en de kinderen. De vader heeft de afgelopen periode wel hard gewerkt aan zijn persoonlijke problematiek. Hij volgt een begeleid-wonen-traject bij [instelling 1] , staat in contact met de gecertificeerde instelling en komt afspraken na. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij inziet dat de kinderen op de juiste plek zitten in het gezinshuis. Ook beseft de vader dat hij niet in staat is de ouder te zijn die de kinderen nodig hebben. Hij verzet zich dan ook niet tegen het verzoek en het genomen opvoedbesluit. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit niet makkelijk is voor de vader en de rechtbank complimenteert de vader dan ook voor de manier waarop hij in het belang van de kinderen kan denken en handelen. Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd moet worden. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen voor de verzochte duur.
5.3.
De rechtbank onderschrijft de visie van de gecertificeerde instelling dat het perspectief van de kinderen niet bij (één van) de ouders maar in het gezinshuis ligt en is van oordeel dat de gecertificeerde instelling dit besluit op goede gronden heeft genomen en voldoende heeft onderbouwd. Dat neemt niet weg dat er wel ingezet moet blijven worden op het behouden van de band van de kinderen met de moeder en de vader. De moeder en de vader blijven altijd de ouders van de kinderen en zij moeten - voor zover in het belang van de kinderen en praktisch haalbaar - betrokken blijven worden in het leven van de kinderen. De gecertificeerde instelling moet zich dan ook blijven inzetten voor het bewerkstelligen van contact tussen de moeder en de kinderen, waarbij geldt dat steeds moet worden bezien of dit op een veilige manier kan plaatsvinden. Ook moet er regelmatig geëvalueerd worden of de omgang tussen de kinderen en de vader (op termijn) uitgebreid kan worden. De rechtbank heeft ter zitting begrepen dat er binnenkort een gesprek plaatsvindt tussen de gecertificeerde instelling en de vader waarbij ook gesproken wordt over de invulling van de omgang, mede gelet op de financiële (on)mogelijkheid van de vader om de reiskosten van en naar de omgangsmomenten te betalen. De rechtbank benadrukt dat de financiële (on)mogelijkheden van de vader er niet toe mogen leiden dat het contact tussen hem en de kinderen wordt beperkt. De gecertificeerde instelling heeft als uitvoerende instantie van de ondertoezichtstelling de taak om met de vader samen vast te stellen of hij inderdaad niet in staat is alle reiskosten op te brengen en in dat geval een oplossing te bedenken voor bijvoorbeeld een vergoeding van (een deel van) die kosten.
5.4.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [4]
5.5.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 2 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 2 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 door
mr. M.M. Meijers, mr. E.E. Schotte en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2023:1148, r.o. 3.5.1.
2.Artikel 1:260, eerste lid, BW.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
4.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.