Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/09/696751 / JE RK 25-2197 en C/09/700448 / JE RK 26-326
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige met beëindiging bijzondere curator

De rechtbank Den Haag behandelde op 13 maart 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2015. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin, maar vanwege gedragsproblemen en een verslechterde situatie is het verblijf daar niet langer houdbaar.

De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De moeder verzette zich tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en stelde een kortere duur voor, terwijl de vader instemde met het verzoek. De bijzondere curator rapporteerde over de situatie en adviseerde beëindiging van haar werkzaamheden.

De rechtbank oordeelde dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden vanwege de voortdurende bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige door het loyaliteitsconflict tussen de ouders. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor zes maanden met een tussentijdse evaluatie, waarbij plaatsing bij de tante als neutrale en vertrouwde omgeving wordt voorzien. De werkzaamheden van de bijzondere curator worden beëindigd omdat haar opdracht is vervuld.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er wordt een schriftelijke update van de gecertificeerde instelling verlangd voorafgaand aan een nader te bepalen zitting. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige en beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: C/09/696751 / JE RK 25-2197 en C/09/700448 / JE RK 26-326
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
I. Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
II. Beëindigen werkzaamheden bijzondere curator
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. A.B. Baumgarten te Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
mr. E.G.S.N. Asselbergs,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
De rechtbank merkt als informant aan:
[de tante],
zijnde de tante vaderszijde,
hierna te noemen: de tante.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het verslag van de bijzondere curator van 2 maart 2026;
  • de aanvullende stukken van de gecertificeerde instelling, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • de bijzondere curator;
  • de tante.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
Bij beschikking van 28 april 2022 heeft de rechtbank de vader en de moeder gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 maart 2026.
2.5.
De rechtbank heeft bij beschikking van 27 januari 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 17 maart 2026. Daarnaast heeft de rechtbank mr. E.G.S.N. Asselbergs benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] en bepaald dat de bijzondere curator uiterlijk op 2 maart 2026 schriftelijk verslag van haar bevindingen dient te doen aan de rechtbank, de gecertificeerde instelling, de vader en de moeder (
zaaknummer C/09/696751 / JE RK 25-2197).

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Door de voortdurende strijd tussen de ouders kwam [minderjarige] steeds verder klem te zitten tussen haar beide ouders, waardoor haar ontwikkeling ernstig werd bedreigd. Om verdere schade te voorkomen en [minderjarige] uit het loyaliteitsconflict te halen, is zij in januari 2026 uithuisgeplaatst in een neutraal pleeggezin. De neutrale plaatsing leek [minderjarige] in het begin goed te doen: zij had een hechte band met pleegouders, vooral met de pleegmoeder, en ging weer naar school en de buitenschoolse opvang. Wel wordt in het pleeggezin zorgelijk gedrag bij [minderjarige] gezien. Zo probeert [minderjarige] situaties naar haar hand te zetten, vertelt zij regelmatig onjuiste informatie en/of liegt zij en is zij bij confrontatie eerder geneigd om meer te liegen dan om de waarheid te erkennen. Daarnaast heeft zij sterk behoefte aan nabijheid, vooral van de pleegmoeder, maar wil zij wel alles zelf doen en kunnen. Het is daarbij lastig om haar gedrag te corrigeren. Zij weigert soms de regels te volgen en kan boos worden op de pleegouders wanneer zij haar corrigeren of tegenspreken. Op school worden deze gedragsproblemen niet gezien. De afgelopen periode heeft [minderjarige] contact gehad met beide ouders. De belmomenten en begeleide omgang met de moeder verlopen goed. De moeder is op tijd en zorgt dat [minderjarige] de spullen krijgt die zij nodig heeft. Ook is de moeder in staat om [minderjarige] te troosten en gerust te stellen als dat nodig is. Er wordt duidelijk gezien dat [minderjarige] en de moeder elkaar missen. [minderjarige] heeft inmiddels ook weer contact gehad met de vader, met wie zij het contact sinds 1 december 2025 had verbroken. Via de pleegouders heeft [minderjarige] spullen en brieven van de vader en zijn familie gekregen. Na het lezen van de brieven sprak [minderjarige] de wens uit om hen weer te zien. Aangezien [minderjarige] herhaaldelijk om contact met de vader vroeg, is een begeleid telefoongesprek georganiseerd. Dit is goed verlopen, waarna er ook een begeleid omgangsmoment heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Ook dit verliep positief. Na afloop was [minderjarige] verdrietig en onrustig en vertelde zij aan de pleegmoeder dat zij eigenlijk bij de vader wilde wonen en de moeder sporadisch wilde zien. Dat is een groot contrast met haar eerdere wens om uitsluitend bij de moeder te wonen en geen contact met de vader te hebben. De gecertificeerde instelling vindt het zorgelijk dat de wensen van [minderjarige] lijken te wisselen, afhankelijk van met welke ouder zij contact heeft. Volgens de gecertificeerde instelling is behandeling van [minderjarige] voor de verwerking van nare gebeurtenissen uit het verleden noodzakelijk voor haar identiteitsontwikkeling en sociale ontwikkeling. Individuele behandeling vraagt echter rust en stabiliteit. Helaas heeft het pleeggezin aangegeven dat het verblijf van [minderjarige] bij hen niet langer houdbaar is. Het gedrag van [minderjarige] is de afgelopen weken verslechterd, waarbij zij steeds opstandiger werd tegen de pleegouders. Dit gedrag lijkt verband te houden met het informeren van de moeder over het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. De overgelegde (Snapchat)berichten tussen [minderjarige] en de moeder en haar partner laten zien dat de moeder en haar partner [minderjarige] negatief beïnvloeden. Vanwege deze negatieve beïnvloeding en de omstandigheid dat het adres van het pleeggezin niet langer geheim is, heeft het pleeggezin aangegeven dat [minderjarige] niet langer bij hen kan verblijven. Helaas moet geconcludeerd worden dat het doel van de plaatsing - het creëren van rust - niet is behaald. Daarvoor zal er eerst echt hulpverlening ingezet moeten worden. Hulpverlening kan echter niet gestart worden in een crisispleeggezin. De gecertificeerde instelling meent dat plaatsing bij de tante op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] is. De gecertificeerde instelling verwacht dat deze plaatsing meer kans van slagen heeft dan een neutrale plaatsing elders, omdat de tante bekend is met de problematiek en deze plek voor [minderjarige] vertrouwd is. Daarnaast is de tante voor langere periode beschikbaar, waardoor de ingezette hulpverlening ook gecontinueerd kan worden bij thuisplaatsing. De tante heeft benadrukt dat zij zich neutraal zal opstellen en het contact met beide ouders zal stimuleren.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder verzoekt de duur van de machtiging uithuisplaatsing te bekorten tot een periode van drie tot maximaal zes maanden, zodat er een tussentijds toetsmoment plaatsvindt. De moeder heeft aangevoerd dat [minderjarige] thuis hoort te zijn. De moeder benadrukt dat zij de strijdbijl wil begraven en dat zij positief staat tegenover co-ouderschap. Wel is het noodzakelijk dat er hulpverlening wordt ingezet. De moeder vindt het kwalijk dat dat tot op heden niet is gebeurd. Verder kan zij zich niet vinden in de bevindingen van de bijzondere curator. Volgens de moeder wordt er onvoldoende naar [minderjarige] geluisterd. Een plaatsing bij de tante vindt de moeder niet passend. Ten eerste is de woning van de tante niet veilig. Daarnaast is er in het verleden ook veel gebeurd tussen de moeder en de tante. De moeder vindt het positief dat de tante heeft aangegeven dit achter zich te willen laten. De moeder wil dat ook. Desalniettemin kan er niet gesproken worden van een neutrale plaatsing. De moeder vraagt de gecertificeerde instelling uitdrukkelijk om eerst met haar in gesprek te gaan voordat [minderjarige] bij de tante geplaatst wordt. Als optie geeft de moeder ook in overweging om [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde te plaatsen.
De moeder heeft - na vragen van de rechtbank - aangegeven dat zij anders had kunnen handelen waar het gaat om de berichten die zijn gestuurd naar [minderjarige]. De moeder benadrukt wel dat volgens haar niet de volledige gesprekken zijn gedeeld, waardoor de berichten uit hun verband zijn getrokken.
4.2.
De vader heeft ingestemd met het verzoek. De vader is blij dat hij de afgelopen periode contact heeft gehad met [minderjarige]. Daar is hij het pleeggezin heel dankbaar voor. Hoewel de vader het liefst zelf voor [minderjarige] zou zorgen, staat hij achter een tijdelijke plaatsing bij de tante. Een (terug)plaatsing bij de moeder of de familie van de moeder vindt de vader niet in het belang van [minderjarige], zeker niet gezien de recente berichten die door de moeder en haar partner naar [minderjarige] zijn gestuurd. De vader denkt dat het op termijn doen herleven van de co-ouderschapsregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. De vader denkt wel na over het nemen van juridische stappen zodat rechterlijke beslissingen ook daadwerkelijk worden nageleefd. Tot op heden gebeurt dat niet. De vader vindt het verder belangrijk dat er therapie wordt gestart voor [minderjarige]. De vader benadrukt dat hij zich houdt aan de gemaakte (veiligheids)afspraken en meewerkt aan de hulpverlening. Hij weet dan ook niet wat hij nog meer kan doen om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren.
4.3.
De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat zij de afgelopen periode met [minderjarige] en de andere betrokkenen heeft gesproken. De bijzondere curator is al eerder betrokken geweest bij [minderjarige] en is geschrokken van de verandering die [minderjarige] heeft doorgemaakt. [minderjarige] lijkt meer verhard te zijn. De bijzondere curator heeft de indruk dat [minderjarige] volledig klem zit in de situatie en nog steeds wordt verscheurd door de twee werelden van haar ouders. De invloed van en de behoefte aan goedkeuring door de moeder lijkt groot. Daardoor komt er geen echte rust. [minderjarige] geeft letterlijk aan dat ze niet weet wat ze voelt en daar ‘errors’ van in haar hoofd krijgt. De bijzondere curator heeft de indruk dat [minderjarige] van zichzelf dingen tegen de bijzondere curator moet zeggen waarvan zij denkt dat de moeder dat graag wil. De bijzondere curator vindt het ook zorgelijk dat het lijkt of [minderjarige] niet anders kan dan partij kiezen. De bijzondere curator maakt zich grote zorgen om [minderjarige] en gunt haar rust en ruimte om van beide ouders te houden. Daarvoor is nodig dat beide ouders zich normaal tegen elkaar gedragen. De bijzondere curator heeft niet met [minderjarige] kunnen praten over een eventuele plaatsing bij de tante. Voor zover de bijzondere curator dit kan beoordelen zou dit wel een goede stap voor [minderjarige] kunnen zijn, zodat zij dichter bij beide ouders is. De bijzondere curator denkt niet dat haar verdere betrokkenheid wenselijk is. Er zijn namelijk al veel mensen betrokken bij [minderjarige]. Daarbij maakte [minderjarige] niet de indruk dat zij behoefte had aan meer gesprekken met de bijzondere curator. Mocht dat in de toekomst anders zijn, dan is de bijzondere curator bereid haar op dat moment opnieuw te ondersteunen.

5.De beoordeling

Beëindigen werkzaamheden bijzondere curator
5.1.
De rechtbank constateert dat de bijzondere curator de opdracht die de rechtbank haar bij beschikking van 27 januari 2026 heeft gegeven, heeft vervuld. De bijzondere curator heeft op 19 februari 2026 en 26 februari 2026 gesproken met [minderjarige] om haar wensen en belangen te inventariseren. Uit het verslag en hetgeen de bijzondere curator tijdens de zitting naar voren heeft gebracht blijkt dat de bijzondere curator moeilijk in gesprek kwam met [minderjarige]. De bijzondere curator ziet dat [minderjarige] duidelijk last heeft van de situatie die is ontstaan tussen haar ouders. [minderjarige] gaf er geen blijk van langere betrokkenheid van de bijzondere curator te wensen. De rechtbank concludeert dat de opdracht van de bijzondere curator is vervuld en dat daarmee haar werkzaamheden zijn afgerond. De rechtbank ziet, net als de bijzondere curator, geen rol meer voor de bijzondere curator weggelegd. De rechtbank zal de werkzaamheden van de bijzondere curator, onder dankzegging voor de door haar verrichte inspanningen, in deze zaak beëindigen.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] wordt nog altijd ernstig in haar ontwikkeling bedreigd door de spanningen tussen de ouders en het loyaliteitsconflict waarin zij verkeert. In een poging om [minderjarige] uit het loyaliteitsconflict te halen en tot rust te laten komen, heeft de rechtbank bij beschikking van 27 januari 2026 een machtiging uithuisplaatsing verleend voor plaatsing in een neutraal pleeggezin. Hoewel de neutrale plaatsing [minderjarige] in het begin goed leek te doen, is van die positieve verandering op dit moment geen sprake meer. [minderjarige] heeft de afgelopen weken een gedragsverandering laten zien in het pleeggezin, waardoor de plaatsing daar niet langer houdbaar is. Zij laat zich niet tot nauwelijks corrigeren door het pleeggezin en vertoont opstandig gedrag. De rechtbank vindt het daarnaast zorgelijk dat [minderjarige] uitspraken doet die niet passen bij haar leeftijd. Zij lijkt meer verantwoordelijkheid te dragen dan passend is en laat daarmee zien dat ze nog altijd volledig klem tussen ouders zit. De rechtbank benadrukt dat beide ouders de taak hebben het belang van [minderjarige] te allen tijde voorop te stellen. In dat kader wil de rechtbank de moeder laten weten erg geschrokken te zijn van de (Snapchat)berichten die tussen de moeder (en haar partner) en [minderjarige] zijn uitgewisseld. De moeder lijkt niet in te zien hoe schadelijk haar uitspraken zijn voor [minderjarige] en dat zij hiermee de ontwikkeling van [minderjarige] belemmert en ervoor zorgt dat het loyaliteitsconflict verder verergert. Gelet op de forse zorgen die er helaas nog steeds zijn, vindt de rechtbank het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling langer betrokken blijft. Het is belangrijk dat er met voortvarendheid hulpverlening ingezet wordt voor [minderjarige]. Daarnaast dient er ook hulpverlening ingezet te worden gericht op de ouders en dan met name hulp gericht op het vormgeven van het gedeelde ouderschap en het leren op een constructieve manier met elkaar te communiceren. Een verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar is nodig omdat de problematiek hardnekkig is en de hulpverlening nog moet starten. De rechtbank zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, waartegen geen verweer is gevoerd, dan ook toewijzen als verzocht.
5.3.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3] Daartoe overweegt de rechtbank dat een plaatsing bij (één van) de ouders op dit moment niet mogelijk is. Er bestaan zorgen of de moeder [minderjarige] de emotionele veiligheid kan bieden die zij nodig heeft. Daarnaast zijn er grote zorgen of de moeder [minderjarige] emotionele toestemming - zowel in woord als gedrag - kan geven om een positief contact met de vader te hebben. Een plaatsing bij de vader is op dit moment ook niet mogelijk, omdat het contact pas recent is opgestart en verder herstel nodig is voordat gedacht kan worden aan een plaatsing bij de vader, al dan niet als onderdeel van een co-ouderschapsregeling. Aangezien de plaatsing in het (crisis)pleeggezin niet langer houdbaar is, moet er een nieuwe plek voor [minderjarige] komen. De tante heeft aangegeven bereid te zijn [minderjarige] zo lang als nodig op te vangen. De rechtbank vertrouwt er daarbij op dat de tante, zoals zij heeft aangegeven in haar brief en heeft bevestigd tijdens de zitting, een neutrale houding zal aannemen ten opzichte van beide ouders. Het is aan de gecertificeerde instelling om de contacten tussen [minderjarige] en de ouders vorm te geven. Daarbij wil de rechtbank wel aandacht vragen voor het telefoongebruik van [minderjarige]. Gezien de aard en inhoud van de uitgewisselde berichten is het de vraag of telefoongebruik zonder toezicht het meest in het belang van [minderjarige] is. Het is aan de gecertificeerde instelling om te bewerkstelligen dat hier toezicht op gehouden wordt en zo nodig maatregelen te nemen. De rechtbank vindt het belangrijk om zicht te houden op de plaatsing bij de tante en de verdere ontwikkeling van [minderjarige]. De rechtbank ziet daarom aanleiding het verzoek voor kortere duur toe te wijzen. De rechtbank zal het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing daarom toewijzen voor de duur van zes maanden en het verzoek voor het overige aanhouden. Over zes maanden wordt wederom naar de situatie gekeken en moet blijken of een langere uithuisplaatsing noodzakelijk is. In dat kader verzoekt de rechtbank de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nader te plannen zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden te sturen. In de schriftelijke update moet in ieder geval worden opgenomen of het aangehouden deel van het verzoek wordt gehandhaafd of niet. Daarnaast wenst de rechtbank geïnformeerd te worden over de volgende aspecten:
Hoe gaat het (naar objectieve maatstaven) met [minderjarige], daaronder begrepen haar schoolgang?
Welke hulpverlening is/wordt ingezet voor [minderjarige]?
Hoe verloopt de plaatsing bij tante?
Hoe ziet het contact tussen [minderjarige] en haar beide ouders eruit en hoe verloopt dit?
Zijn er nog zorgen over het telefoongebruik van [minderjarige]?
Welke hulpverlening is/wordt ingezet voor de vader en de moeder?
Het staat de gecertificeerde instelling vrij al hetgeen de gecertificeerde instelling zelf nog relevant acht op te nemen in de schriftelijke update.
5.5.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
C/09/696751 / JE RK 25-2197
6.1.
beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator, mr. E.G.S.N. Asselbergs;
C/09/700448 / JE RK 26-326
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 17 maart 2027;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 september 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting bij de meervoudige kamer van de rechtbank,
gelegen vóór 17 september 2026;
6.6.
gelast de griffier voor voornoemde zitting op te roepen:
  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • de advocaat van de moeder: mr. A.B. Baumgarten;
  • de vader;
  • de tante als informant;
  • [minderjarige] voor een kindgesprek;
6.7.
verzoekt de gecertificeerde instelling
uiterlijk twee wekenvoorafgaand aan de nader te bepalen zitting een schriftelijke update als bedoeld in 5.4. aan de rechtbank en de belanghebbenden te zenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 door
mr. E.E. Schotte, mr. M.M. Meijers en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.