Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8777

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.14800
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag Iran met besluitmoratorium

Belanghebbende heeft op 15 juni 2025 asiel aangevraagd en stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden op de aanvraag beslist, waardoor belanghebbende op 9 januari 2026 een ingebrekestelling heeft gestuurd en op 17 maart 2026 beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn op 15 december 2025 was verstreken zonder besluit. Vanwege het besluit- en vertrekmoratorium voor Iraanse asielaanvragen, ingesteld op 24 maart 2026, wordt de beslistermijn verlengd met maximaal zestien weken nadat het moratorium eindigt.

Verweerder wordt opgedragen binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen en een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding opgelegd, met een maximum van €15.000. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter Gielen en griffier Kwakman.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder krijgt een verlengde beslistermijn opgelegd met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14800
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. G. van Reemst),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
2. Belanghebbende heeft op 15 juni 2025 asiel aangevraagd in Nederland en stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten. Belanghebbende heeft verweerder op 9 januari 2026 in gebreke gesteld waarna zij op 17 maart 2026 in beroep is gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. In beginsel beslist verweerder binnen zes maanden op een asielaanvraag. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 15 december 2025 op de asielaanvraag had moeten beslissen. Deze termijn is verstreken, zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. De ingebrekestelling is geldig. Vervolgens heeft belanghebbende twee weken gewacht voordat zij beroep heeft ingesteld. Het beroep is dus gegrond.
3. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [3]
4. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder met ingang van 24 maart 2026 een besluit- en vertrekmoratorium voor asielaanvragen voor personen afkomstig uit Iran heeft ingesteld. [4] Op grond van artikel 1 van Pro het besluit tot instelling van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden.
5. De rechtbank overweegt dat het besluit- en vertrekmoratorium een dergelijke bijzonder geval betreft om in beginsel een andere termijn dan bovengenoemde twee weken op te leggen omdat tijdens de geldigheid daarvan het nemen van de beslissing op de aanvragen in die periode is uitgesteld. [5] De rechtbank ziet aanleiding om verweerder een beslistermijn van maximaal zestien weken op te leggen. Verweerder krijgt conform de vaste rechtspraak van de Afdeling een termijn van maximaal acht weken om het eerste gehoor af te nemen en maximaal acht weken daarna om het besluit op de aanvraag bekend te maken. [6] Deze termijn gaat in op het moment dat de beslistermijn niet langer is uitgesteld wegens het besluit- en vertrekmoratorium.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op om binnen maximaal zestien weken nadat de beslistermijn niet langer is uitgesteld wegens het besluit- en vertrekmoratorium een besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
4.Staatscourant 2026, 11158.
5.Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21535.