Belanghebbende heeft op 31 augustus 2024 asiel aangevraagd in Nederland en stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten. De minister van Asiel en Migratie heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden op de aanvraag beslist, waardoor belanghebbende op 22 februari 2026 een ingebrekestelling heeft gestuurd en op 13 maart 2026 beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling geldig is en het beroep gegrond. De normale beslistermijn van zes maanden was verstreken zonder besluit, en belanghebbende heeft de vereiste wachttijd in acht genomen. De rechtbank draagt de minister op om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Echter is er een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld per 24 maart 2026 voor asielaanvragen van Iraanse vreemdelingen, waardoor de beslistermijn met maximaal 21 maanden wordt verlengd. De rechtbank acht dit een bijzonder geval en legt daarom een verlengde beslistermijn op tot 31 mei 2026.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €467 voor de rechtsbijstand van belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter Gielen en griffier Kwakman.