Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.16904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 SchengengrenscodeArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling bevestigd door rechtbank Den Haag

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van A. Amonashvili tegen twee besluiten van de minister van Asiel en Migratie: de weigering van toegang tot Nederland en de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

De minister weigerde de toegang omdat eiser niet beschikte over een geldig reisdocument en onvoldoende middelen van bestaan had. Daarnaast werd de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd vanwege het risico op onderduiken. Eiser voerde aan dat zijn medische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de detentie ongeschikt voor hem zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de toegangsweigering terecht was en dat de medische situatie van eiser voldoende was betrokken bij de beoordeling. Ook was de minister voortvarend in het regelen van een vertrekdatum en vlucht. De rechtbank vond geen onrechtmatigheid in de maatregel en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen het vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de gestelde termijnen.

Uitkomst: Het beroep tegen de toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16904

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

A. Amonashvili, [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

1. Bij besluit van 25 maart 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Pro Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 30 maart 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 1 april 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 7 april 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
2. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:
- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;
- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
3. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de toegangsweigering. De rechtbank is, ambtshalve toetsend, van oordeel dat aan eiser terecht de toegang is geweigerd.

Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)

4. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiser het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw Pro te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder zijn medische klachten en medicijngebruik niet kenbaar heeft betrokken bij het bestreden besluit. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek. Daarnaast voert eiser aan dat zijn medische klachten hem detentieongeschikt maken. Verder handelt verweerder onvoldoende voortvarend. Er had al een vluchtdatum bekend kunnen zijn.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 [1] zijn de genoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onderduiken aanwezig te achten.
8. De rechtbank stelt vast dat op bladzijden 6 en 7 van het bestreden besluit staat vermeld dat eiser medische klachten heeft en hiervoor wordt behandeld. Dat eisers medische situatie niet gedetailleerd wordt beschreven, maakt niet dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Daarnaast heeft verweerder eisers medische klachten en medicatie betrokken bij de beoordeling door te overwegen dat eiser zich tot de medische dienst kan richten. Niet is gebleken dat eiser hier niet terecht kan. Bovendien heeft eiser in het gehoor aangegeven geen bezwaar te hebben om in het detentiecentrum te verblijven, omdat de artsen en verplegers hem daar kennen.
9. Verder hield verweerder op 25 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser. Dat is dezelfde dag waarop de maatregel is opgelegd. Ook is die dag een vlucht aangevraagd. Verder is de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in afwachting van de precieze vluchtgegevens van de vlucht die op 8 april 2026 zal plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat verweerder voldoende voortvarend handelt.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Over beide beroepen
11. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.