ECLI:NL:RBDHA:2026:8827

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/09/702003 / KG RK 26-553
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter en niet-ontvankelijkheid wraking griffier

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken is bij meerdere bestuursrechtelijke zaken, omdat hun verzoek om een digitale zitting was afgewezen en zij wegens ziekte niet aanwezig konden zijn bij de geplande zitting.

De wrakingskamer oordeelde dat procedurele beslissingen, zoals het afwijzen van een digitaal verzoek, geen grond voor wraking kunnen vormen. Er waren geen feiten of omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter rechtvaardigen. Het wrakingsverzoek tegen de griffier werd niet-ontvankelijk verklaard omdat wraking alleen tegen een individuele rechter kan worden gericht.

Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat de gemachtigde van verzoekers eerder meerdere wrakingsverzoeken had ingediend zonder succes, wat werd aangemerkt als misbruik van het wrakingsmiddel. Daarom werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van deze gemachtigde niet meer in behandeling worden genomen. De beslissing werd zonder mondelinge behandeling genomen en het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet zoals het was.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen en het wrakingsverzoek tegen de griffier niet-ontvankelijk verklaard; toekomstige wrakingsverzoeken van dezelfde gemachtigde worden niet meer in behandeling genomen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/23
zaak- /rekestnummer: C/09/702003 / KG RK 26-553
Beslissing van 2 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

1.Monumenten L&P B.V.,

2.
[verzoeker 1] ,
3.
[bedrijf 1] ,
4.
Larmag Real Estate 6 B.V.,
5.
[bedrijf 3] ,
6.
[bedrijf 4] B.V.,
7.
[bedrijf 5] B.V.,
8.
Fletcher Hotel Exploitaties B.V.,
9.
Carpet-Land B.V.,
10.
[verzoeker 2] ,
11.
[bedrijf 6] B.V.,
12.
[bedrijf 7] B.V.,
13.
[bedrijf 8] B.V.,
14.
[bedrijf 9] B.V.,
15.
[bedrijf 10] B.V.,
16.
[bedrijf 11] B.V.,
17.
[verzoeker 3] ,
18.
[bedrijf 12] B.V.,
19.
[verzoeker 4] ,
20.
[bedrijf 13] B.V.,
21.
[verzoeker 6] ,
22.
[bedrijf 14] B.V.,
23.
[verzoeker 7] ,
24.
[verzoeker 8] ,
hierna te noemen: verzoekers,
gemachtigde van verzoekers: mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels Consultancy B.V.),
strekkende tot de wraking van
mr. E. Kouwenhoven,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het schriftelijke wrakingsverzoek is ingediend per e-mail op 23 maart 2026.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over de dossiers in de hoofdzaken.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met de nummers SGR AWB 23/7156 ZUIVER G, SGR AWB 24/8680 WOZ G, SGR AWB 24/9410 ZUIVER G,
SGR AWB 24/10090 WOZ G, SGR AWB 24/10093 WOZ G, SGR AWB 25/1015 ZUIVER G, SGR AWB 25/1047 ZUIVER G, SGR AWB 25/4499 WOZ G, SGR AWB 25/4543 WOZ G, SGR AWB 25/5063 WOZ G, SGR AWB 25/5937 GGH G, SGR AWB 23/4780 WOZ G, SGR AWB 23/4781 WOZ G, SGR AWB 23/4782 WOZ G, SGR AWB 23/4783 WOZ G, SGR AWB 24/2470 WOZ G, SGR AWB 24/8810 ZUIVER D, SGR AWB 24/9281 WOZ G, SGR AWB 24/10119 WOZ G, SGR AWB 24/10122 WOZ G, SGR AWB 24/10123 WOZNW G, SGR AWB 24/10126 WOZNW G, SGR AWB 24/10128 WOZNW G, SGR AWB 24/10129 WOZ G, SGR AWB 24/10132 WOZNW G, SGR AWB 24/10133 WOZNW G, SGR AWB 25/72 WOZNW G, SGR AWB 25/1402 WOZ G, SGR AWB 25/1407 WOZ G, SGR AWB 23/7306 GGH G, SGR AWB 24/8965 WOZ G, SGR AWB 24/8966 WOZ G, SGR AWB 24/8970 WOZ G, SGR AWB 25/66 WOZ G, SGR AWB 25/67 WOZ G, SGR AWB 25/68 WOZ G, SGR AWB 25/69 WOZ G, SGR AWB 25/83 WOZ G, SGR AWB 25/2400 GGH G, SGR AWB 24/9047 WOZ G, SGR AWB 24/8078 WOZ G, SGR AWB 24/7951 WOZ G en SGR AWB 24/8536 WOZ G (hierna: de hoofdzaken). De behandeling van deze zaken zou plaatsvinden op 24 maart 2026.
2.2.
Het wrakingsverzoek luidt als volgt:
“Het doet mij waarlijk spijten: hierdoor wraak ik de desbetreffende rechter én diens griffier.
De redenen daartoe kunt u vinden in mijn voorgaande correspondentie: heb afgelopen nacht giga veel last gekregen van een zeer forse aanval van buikgriep. Het “norovirus” slaat momenteel om zich heen in Nederland.
De oorzaak is mij onbekend maar ik (ver)wijs naar de moeder van mijn vier kinderen die het als grootmoeder van 4 kleinkinderen -als oppas- naar alle waarschijnlijkheid heeft gekregen. Onze jongste dochter [naam] ligt ook al ruim 4 dagen uit de roulatie.
Wat mij betreft “stuitend” c.q. extra pijnlijk om reden dat uw gremium deze ene sessie ook niet digitaal via Teams wilde houden. Nu ben ik helaas zelf(s) daartoe geheel niet meer in staat.
De normaliter dienstdoende griffier, die mij weet te vinden voor een nieuwe datum in en na goed onderling vooroverleg te bepalen, in de c.c..
Organiseert u eerst nog svp asap een -digitaal uitgevoerde- mondelinge behandeling van dit wrakingsverzoek?”

3.De beoordeling

Ten aanzien van de wraking van de rechter
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Uit de dossiers in de hoofdzaken is het de wrakingskamer gebleken dat de gemachtigde van verzoekers de rechter op 17 maart 2026 heeft verzocht om de zitting van 24 maart 2026 digitaal te laten plaatsvinden in verband met knieklachten. Dit verzoek is door de rechter bij brief van 20 maart 2026 afgewezen. Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoekers op 23 maart 2026 de rechter gewraakt, omdat hij door ziekte niet in staat is de zitting op 24 maart 2026 bij te wonen.
3.3
Naar de wrakingskamer uit het wrakingsverzoek en de daaraan voorafgaande correspondentie begrijpt is de gemachtigde van verzoekers van mening dat de rechter jegens hem (en verzoekers) vooringenomen is, omdat zijn verzoek om een digitale zitting is afgewezen, en omdat hij inmiddels wegens (acute) ziekte niet in staat is de zitting bij te wonen.
3.4.
Een beslissing om een zitting niet digitaal te laten plaatsvinden en ook een beslissing om een zitting al dan niet te laten doorgaan zijn procedurele beslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Gelet hierop en op het ontbreken van andere feiten of omstandigheden waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
Ten aanzien van de wraking van de griffier
3.5.
Uit artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen een individuele rechter die de hoofdzaak behandelt. Voor zover het wrakingsverzoek is gericht tegen de griffier is dus geen sprake van een wrakingsverzoek in de zin van de wet en verzoekers zijn daarom ook niet-ontvankelijk in dit verzoek.
Wrakingsverbod
3.6.
Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat mr. Bartels in eerdere procedures meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die niet tot gegrondverklaring hebben geleid en buiten zitting zijn afgedaan (met kenmerken C/09/662473 / KG RK 24-331, C/09/662487 / KG RK 24-334, C/09/662693 / KG RK 24-348, C/09/662703 / KG RK 24-351, C/09/665588 / KG RK 24-623, C/09/666209 / KG RK 24-709, C/09/673526 / KG RK 24-1396, C/09/673536 / KG RK 24-1398 en C/09/675870 / KG RK 24-1623). Gezien deze eerdere wrakingsverzoeken en de onderbouwing daarvan, concludeert de wrakingskamer dat hij het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan het frustreren van de voortgang van de procedures. Daarmee is sprake van misbruik. Gelet hierop ziet de wrakingskamer aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken dat wordt ingediend door mr. Bartels als gemachtigde van verzoekers niet meer in behandeling genomen zal worden.
Buiten zitting
3.7.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af voor zover het zich richt tegen de rechter;
4.2.
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de griffier;
4.3.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin dit zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.4.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken dat wordt ingediend door mr. Bartels niet in behandeling zal worden genomen;
4.5.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• verzoekers p/a hun gemachtigde mr. D.A.N. Bartels MRE;
• de wederpartijen in de hoofdzaken;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.