Uitspraak
1.[verweerders sub 1] V.O.F.,
2.
[verweerders sub 2], vennoot van verweerder sub 1,
3.
[verweerders sub 3], vennoot van verweerder sub 1,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een BBL-leerling die sinds september 2025 in dienst was bij een elektrotechnisch bedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst gekoppeld aan een beroepspraktijkovereenkomst met een school. Op 28 november 2025 werd de arbeidsovereenkomst per direct beëindigd door de werkgever met een ontslag op staande voet, wegens vermeend structureel werk bij derden en onvoldoende aanwezigheid op school.
De werknemer betwistte de redenen en stelde dat het ontslag onterecht was, mede vanwege ziekte en het ontbreken van een dringende reden. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd door beëindiging van de praktijkovereenkomst door de school, en dat het ontslag op staande voet geen effect had.
De kantonrechter verwierp het verweer van de werkgever en oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat geen dringende reden was en de werkgever niet onverwijld had gehandeld. Ook was niet voldaan aan de procedurele eisen voor ontbinding van de praktijkovereenkomst. De kantonrechter kende daarom een billijke vergoeding van €1.545,00 toe, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van hetzelfde bedrag en een transitievergoeding van €135,79. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig, en de werknemer krijgt een billijke vergoeding, vergoeding onregelmatige opzegging en transitievergoeding toegekend.