Uitspraak
1.[verweerders sub 1] V.O.F.,
2.
[verweerders sub 2], vennoot van verweerder sub 1,
3.
[verweerders sub 3], vennoot van verweerder sub 1,
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een BBL-leerling die op 28 november 2025 per direct werd ontslagen door zijn werkgever wegens vermeend structureel werk bij derden en onvoldoende aanwezigheid op school. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd door beëindiging van de beroepspraktijkovereenkomst door de school, maar dit werd verworpen omdat de werkgever zelf het initiatief had genomen tot beëindiging.
De kantonrechter kwalificeerde de opzegging als een ontslag op staande voet, maar oordeelde dat dit ontslag niet rechtsgeldig was omdat er geen dringende reden was en de werkgever niet onverwijld had gehandeld. Ook was niet voldaan aan de procedurele vereisten voor ontbinding van de beroepspraktijkovereenkomst.
De kantonrechter kende daarom een billijke vergoeding toe van €1.545,00 bruto, gelijk aan het maandloon, en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van hetzelfde bedrag. Daarnaast werd een transitievergoeding van €516,41 bruto toegekend, berekend over de feitelijke diensttijd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig, en de werknemer krijgt een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding toegekend.