ECLI:NL:RBDHA:2026:8907

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.30910
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens schending hoorplicht en onzorgvuldige beoordeling medische situatie

Eiser, een jongvolwassene met de Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland, na nareis van zijn broertje die een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af op grond van het ontbreken van gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro en het niet voldoen aan het jongvolwassenenbeleid.

Eiser stelde in bezwaar dat hij wel afhankelijkheidsbanden heeft en overlegde medische stukken die zijn situatie onderbouwen. Verweerder heeft deze medische verklaring niet betrokken bij de beoordeling, omdat deze volgens hem niet correct was ingediend. De rechtbank stelde vast dat de medische verklaring wel degelijk tijdig en correct via veilig mailen was ingediend.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door eiser niet te horen over de medische omstandigheden die in bezwaar naar voren kwamen. Dit maakt het bestreden besluit onzorgvuldig en strijdig met artikel 3:2 Awb Pro. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de medische situatie wordt betrokken en eiser wordt gehoord. Tevens worden de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en onzorgvuldige beoordeling van de medische situatie, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30910

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent], bijgestaan door mr. E. Verstelle (als waarnemer van de gemachtigde van eiser), vergezeld door mr. P.C.M. van Schijndel (de vorige gemachtigde van eiser). Als tolk is verschenen H. Rida. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002. Het jongere broertje van eiser, [referent], heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland en vervolgens nareis aangevraagd voor eiser en voor zijn ouders. Alle familieleden hebben de Syrische nationaliteit. De aanvraag van de ouders van eiser en referent is op 5 november 2024 ingewilligd. Zij zijn inmiddels Nederland ingereisd.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft daar aan ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiser en zijn ouders. Eiser voldoet niet aan het jongvolwassenenbeleid, nu hij in zijn eigen onderhoud voorziet en heeft verklaard dat hij zichzelf staande kan houden en niet afhankelijk is van zijn ouders. Verder bestaan tussen eiser en zijn ouders geen bijkomende elementen van afhankelijkheid in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Hoewel eiser altijd heeft samengewoond met zijn ouders en zijn ouders financieel van hem afhankelijk zijn, is dat onvoldoende om uit te kunnen gaan van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Bovendien heeft eiser sterke banden met Syrië. Ten slotte heeft verweerder aangenomen dat er sprake is van gezinsleven tussen eiser en referent omdat sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt, die in het nadeel van eiser uitvalt.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet op hem van toepassing is omdat hij in zijn eigen onderhoud zou voorzien. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders. Eiser voert ook aan dat geen sprake is van een ‘fair balance’ in de belangenafweging die verweerder heeft verricht in het kader van het familieleven tussen eiser en referent. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder hem had moeten horen in de bezwaarfase.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Medische informatie
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat ter zitting is gebleken dat in geschil is of eiser in bezwaar een stuk heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn medische omstandigheden. Eiser heeft er in beroep op gewezen dat hij op 1 mei 2025 een medische verklaring heeft overgelegd waarin een Syrische arts vaststelt dat hij lijdt aan G6PD-deficientie. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij deze medische verklaring niet heeft ontvangen, omdat de verklaring niet op de juiste wijze is ingediend dan wel niet naar het juiste mailadres is verzonden. In het bestreden besluit heeft verweerder de gestelde medische omstandigheden niet betrokken.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij de medische verklaring al in bezwaar heeft overgelegd. De (vorige) gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht hoe hij de verklaring via veilig mailen heeft ingediend bij verweerder. Hij heeft een schermafdruk overgelegd van een kopie van een Zivver-bericht met een aanvulling op het bezwaarschrift die hij op 1 mei 2025 heeft verzonden naar het mailadres uw.stukken.opsturen@ind.nl. In het onderwerp van de mail staat de naam van eiser en zijn V-nummer. In het dossier bevindt zich ook een brief van gemachtigde gedateerd op 1 mei 2025, met als bijlage de medische verklaring. De rechtbank vindt het gelet op de overeenkomende data en de aanhef van de mail aannemelijk dat gemachtigde op 1 mei 2025 daadwerkelijk deze aanvulling op het bezwaarschrift met de medische verklaring naar verweerder heeft verzonden. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar een procesbeschrijving op de website van de IND, maar heeft niet kunnen toelichten waarom gemachtigde de verklaring niet op de juiste wijze heeft ingediend. Het is de rechtbank ook na eigen onderzoek op de website van de IND niet duidelijk geworden op welke wijze eiser de verklaring volgens verweerder dan wel had moeten indienen of waaruit blijkt dat de gemachtigde van eiser niet het juiste stappenplan heeft gevolgd. [2]
5.2.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting weliswaar gesteld dat uit de medische verklaring niet volgt dat eiser structureel bloedtransfusies nodig heeft, dat er niet uit volgt wat zijn de zorgbehoefte is en dat ook niet is onderbouwd dat zijn ouders of referent uitsluitend deze steun zouden kunnen bieden. Verder heeft gemachtigde erop gewezen dat eiser tijdens het gehoor van 3 juli 2024 heeft verklaard dat hij gezond is en geen medische ondersteuning nodig heeft. [3] Dit neemt alleen niet weg dat er in bezwaar medische informatie is overgelegd die verweerder kenbaar niet in de beoordeling heeft betrokken. Dit maakt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.
Hoorplicht
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook de hoorplicht heeft geschonden, nu er in bezwaar is gebleken van feiten en omstandigheden die niet in het besluit in primo zijn betrokken. De overgelegde medische verklaring had aanleiding moeten geven eiser opnieuw te horen, zeker gezien zijn eerdere verklaringen tijdens het gehoor van 3 juli 2024. Met een gehoor had kunnen worden onderzocht wat de medische omstandigheden van eiser precies zijn, hoe deze omstandigheden raken aan de verschillende onderdelen van het besluit en waarom eiser deze omstandigheden eerder niet naar voren heeft gebracht. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [4] Van een dergelijke situatie was hier geen sprake.
6.1.
Gelet op al het voorgaande is het beroep gegrond. Nu verweerder de medische verklaring in de beoordeling moet betrekken en eiser hierover moet horen, komt de rechtbank aan een bespreking van de andere beroepsgronden niet toe.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en verweerder opdragen binnen acht weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,-. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.https://ind.nl/nl/na-uw-aanvraag/uw-stukken-opsturen.
3.Zie het pagina 7 en 8 van het gehoor.
4.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
5.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.