ECLI:NL:RBDHA:2026:8910

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL24.15930
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran

Eisers, Iraanse staatsburgers, vroegen een visum kort verblijf aan om het huwelijk van hun dochter bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af wegens redelijke twijfel over het voornemen van eisers om Nederland weer te verlaten. De minister vond dat eisers onvoldoende sociale en economische binding met Iran hadden aangetoond, onder meer omdat zij niet konden bewijzen dat zij zorgverplichtingen hadden voor familieleden of dat zij een onderneming hadden die inkomsten genereerde.

Eisers voerden aan dat de minister ten onrechte de emotionele banden met hun volwassen kinderen en familieleden in Iran niet had meegewogen en dat zij onvoldoende gelegenheid hadden gekregen om hun situatie toe te lichten. Ook stelden zij dat de afwijzing in strijd was met hun recht op gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het besluit terughoudend getoetst moet worden. De rechtbank vond dat de minister alle relevante stukken had betrokken en dat eisers onvoldoende hadden onderbouwd dat zij sociale en economische binding met Iran hebben. De emotionele banden konden niet leiden tot een ander oordeel. Ook was het horen in bezwaar niet verplicht omdat de ontbrekende stukken niet waren aangeleverd ondanks herstelverzuim. De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat een visum kort verblijf niet de juiste weg is om gezinsleven te beschermen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, zonder toekenning van proceskostenvergoeding of griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15930

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, [V-nummer 1] ,

[eiseres] ,eiseres, [V-nummer 2] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvragen met de besluiten van 1 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 maart 2024 op het bezwaarschrift van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [naam 1] (referent) , [naam 2] (dochter van eisers) en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen N. Adel.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers zijn gehuwd, hebben de Iraanse nationaliteit en hebben aanvragen gedaan voor een visum kort verblijf voor het bijwonen van het huwelijk tussen hun dochter en referent.
3. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvragen met het bestreden besluit gehandhaafd, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visa. [1] Verweerder heeft geconcludeerd dat eisers onvoldoende hebben aangetoond dat zij sociale en economische binding hebben met Iran dan wel dat deze binding gering is gebleken. Eisers hebben niet aangetoond dat zij voor hun volwassen kinderen of andere familieleden zorgtaken vervullen die maken dat zij in Iran aanwezig moeten zijn. Uit de overgelegde bankafschriften is niet op te maken dat eisers betalen voor de zorg en verpleging van hun beider moeders. Ook kan niet worden aangenomen dat niet iemand anders voor hen kan zorgen. Verder is niet met stukken aangetoond dat eiser een onderneming heeft en daar inkomen uit genereert, nu de stortingen op de overgelegde bankafschriften niet zijn te herleiden naar bedrijfsactiviteiten. Het eigendom van een woning en het verhuren van een stuk grond zijn volgens verweerder ook onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van economische binding, nu beide eigendommen ook op afstand kunnen worden beheerd.
Wat vinden eisers in beroep?
4. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geringe economische en sociale binding is met Iran. Bij de sociale binding heeft verweerder niet betrokken dat er een emotionele binding bestaat met de volwassen kinderen van eisers en hun andere familieleden die in Iran wonen. Deze binding kunnen eisers vanwege de aard ervan niet met bewijsstukken aantonen. Ook heeft verweerder in dit kader de overgelegde bankafschriften onvoldoende betrokken en ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat eisers er niets aan kunnen doen dat de afschriften geen melding maken van de redenen van af- en bijschrijving. Van eisers kan daarom niet verwacht worden dat zij met bankafschriften verder onderbouwen dat zij betalen voor de zorg van hun zorgbehoevende moeders. Ook is onvoldoende betrokken dat de referent garant staat voor eisers. Verder voeren eisers aan dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in bezwaar, terwijl zij juist in een hoorzitting een toelichting hadden kunnen geven op de bankafschriften, op de afhankelijkheidsrelatie met hun moeders in Iran en op de garantstelling van referent. Ten slotte is de afwijzing van de visumaanvragen van eisers in strijd met het recht op gezinsleven, [2] nu referent en de dochter van eisers hun huwelijk moeten uitstellen als gevolg van de afwijzing.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie [3] beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is. De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
5.1.
Uit die rechtspraak volgt ook dat verweerder bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager van een visum om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, een individueel onderzoek van de visumaanvraag moet verrichten waarbij rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de aanvrager woont en, aan de andere kant, zijn persoonlijke omstandigheden. [4] Bij persoonlijke omstandigheden gaat het daarbij met name om zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in één van de lidstaten en de band met het land waarin hij woont en met de lidstaten.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken van sociale of economische binding met Iran. Over de gestelde economische binding met Iran hebben eisers ter zitting expliciet aangegeven dat zij het standpunt van verweerder niet bestrijden. Bij de sociale binding met Iran, acht de rechtbank van belang dat verweerder alle overgelegde bewijsstukken kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft mogen vinden dat eisers met deze stukken onvoldoende hebben onderbouwd dat hun familieleden in Iran afhankelijk zijn van zorg die eisers verlenen dan wel waar zij voor betalen. Dat bankafschriften in Iran geen melding maken van de redenen van af- en bijschrijving – wat daarvan ook zij – betekent niet dat eisers de zorg die zij voor hun moeders hebben geregeld niet op een andere manier zouden kunnen onderbouwen. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat niet is onderbouwd dat zij de gestelde zorgtaken (dan wel het betalen daarvoor) niet op afstand kunnen voortzetten en daarom hun terugkeer naar Iran zou zijn gewaarborgd. Verder heeft verweerder van belang mogen achten dat niet is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eisers zouden dwingen naar Iran terug te keren. Eisers hebben eerst in beroep naar voren gebracht dat verweerder de emotionele banden die zij met hun volwassen kinderen en hun overige familieleden in Iran hebben had moeten betrekken. Verweerder heeft in deze enkele stelling geen aanleiding hoeven zien voor een ander standpunt over de sociale binding met Iran
..
6. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder heeft mogen afzien van het horen van eisers. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [5] Hoewel eisers nieuwe stukken en toelichting op eerder ingebracht stukken naar voren hebben gebracht in de bezwaarfase, was ook op basis van deze informatie voldoende duidelijk dat de gestelde economische en sociale binding met Iran onvoldoende is onderbouwd. Daar komt bij dat verweerder voorafgaand aan de beslissing op het bezwaar middels een herstelverzuimbrief kenbaar heeft gemaakt welke stukken ontbraken en eisers daarmee in de gelegenheid heeft gesteld om de ontbrekende stukken over te leggen. [6] Eisers hebben de gevraagde stukken niet overgelegd en niet toegelicht wat daar de reden voor is. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om eisers te horen in bezwaar. [7] De beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank volgt eisers ten slotte niet in hun stelling dat het besluit in strijd is met het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is dat referent en de dochter van eisers hun huwelijk hebben moeten uitstellen vanwege de afwijzing van de visumaanvragen van hun (schoon)ouders. Een visum voor kort verblijf is in beginsel echter niet de geëigende weg om het uitoefenen van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM mogelijk te maken, nu het doel van een dergelijk visum juist kort verblijf, en niet langdurig verblijf is. De beoordeling of artikel 8 van Pro het EVRM toelating noodzakelijk maakt, vindt in beginsel plaats in het kader van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eisers - in afwijking van verweerders beleid - kort verblijf in Nederland zou moeten worden toegestaan om hen in staat te stellen gezinsleven uit te oefenen met referent en hun dochter.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Eisers krijgen ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode).
2.Zoals beschermd door artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.
4.Arrest Koushkaki, punt 69.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
6.Brief van 22 februari 2024.
7.De rechtbank verwijst daarbij ook naar rechtsoverweging 5.2 van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.