Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser, [V-nummer 1] ,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
..
Rechtbank Den Haag
Eisers, Iraanse staatsburgers, vroegen een visum kort verblijf aan om het huwelijk van hun dochter bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af wegens redelijke twijfel over het voornemen van eisers om Nederland weer te verlaten. De minister vond dat eisers onvoldoende sociale en economische binding met Iran hadden aangetoond, onder meer omdat zij niet konden bewijzen dat zij zorgverplichtingen hadden voor familieleden of dat zij een onderneming hadden die inkomsten genereerde.
Eisers voerden aan dat de minister ten onrechte de emotionele banden met hun volwassen kinderen en familieleden in Iran niet had meegewogen en dat zij onvoldoende gelegenheid hadden gekregen om hun situatie toe te lichten. Ook stelden zij dat de afwijzing in strijd was met hun recht op gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het besluit terughoudend getoetst moet worden. De rechtbank vond dat de minister alle relevante stukken had betrokken en dat eisers onvoldoende hadden onderbouwd dat zij sociale en economische binding met Iran hebben. De emotionele banden konden niet leiden tot een ander oordeel. Ook was het horen in bezwaar niet verplicht omdat de ontbrekende stukken niet waren aangeleverd ondanks herstelverzuim. De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat een visum kort verblijf niet de juiste weg is om gezinsleven te beschermen.
Het beroep werd ongegrond verklaard, zonder toekenning van proceskostenvergoeding of griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran.