ECLI:NL:RBDHA:2026:8912

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.30914
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven en jongvolwassenenbeleid

Eiser, een Syrische jongvolwassene, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland op basis van gezinsleven met zijn moeder die een verblijfsvergunning asiel heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan het jongvolwassenenbeleid: hij voorziet in zijn eigen onderhoud en is niet afhankelijk van zijn moeder.

Eiser voerde aan dat zijn medische situatie hem belemmerde in het werken en dat hij daardoor afhankelijk was van zijn moeder, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder dit voldoende had onderzocht en dat de medische verklaring onvoldoende onderbouwing bood voor afhankelijkheid. Ook de gestelde financiële en emotionele afhankelijkheid werden niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank constateerde een formeel gebrek in de besluitvorming omdat verweerder de medische verklaring niet schriftelijk had betrokken, maar dit leidde niet tot schending van belangen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30914

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), bijgestaan door mr. E. Verstelle (als waarnemer van de gemachtigde van eiser). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Rida.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991. De moeder van eiser, [referente] (referente), heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland en vervolgens nareis aangevraagd voor eiser. Eisers zussen verblijven ook in Nederland op basis van een verblijfsvergunning asiel. Alle familieleden hebben de Syrische nationaliteit.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Eiser voldoet niet aan het jongvolwassenenbeleid. Hij was 30 jaar oud toen de aanvraag werd ingediend en heeft met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij afhankelijk is van referente. Eiser voldoet niet aan de voorwaarde dat hij niet in het eigen onderhoud voorziet, nu eisers zus heeft verklaard dat hij werkte als taxichauffeur in Syrië [2] en eiser slechts summier verklaart over dat hij (al dan niet vanwege medische omstandigheden) niet kan werken. [3] Verder bestaan tussen eiser en referente geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eisers gestelde financiële afhankelijkheid, medische situatie en daaruit volgende medische afhankelijkheid van referente is niet onderbouwd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van gezinsleven met referente. Eiser voldoet namelijk aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Zijn leeftijd is daarbij niet doorslaggevend, nu er uit uitspraken van de hoogste bestuursrechter [4] en de Werkinstructie [5] van verweerder volgt dat er geen harde leeftijdsgrens is voor het jongvolwassenenbeleid. Daar komt bij dat eiser niet voorziet in zijn levensonderhoud en dat ook niet zou kunnen vanwege zijn medische aandoening. De verklaring van zijn zus is duidelijk een foutje en betrof de werkzaamheden van hun vader. Verder voert eiser aan dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en referente. Verweerder heeft niet betrokken dat eiser last heeft van
convulsive seizuresen daarom medisch en financieel afhankelijk is van referente. Er is niemand anders in Syrië die de (medische) zorg kan verlenen die eiser behoeft. Ook zal hereniging met zijn moeder de medische situatie verbeteren, nu stress een trigger is voor zijn aanvallen. Eiser is verder emotioneel afhankelijk van referente vanwege de oorlog en het overlijden van zijn vader. Ook heeft eiser geen banden meer met Syrië want zijn familieleden wonen in Nederland. Verweerder had hierin aanleiding moeten zien om gezinsleven aan te nemen en een belangenafweging te maken. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte eiser niet gehoord in de bezwaarfase.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Jongvolwassenenbeleid
5. De rechtbank zal eerst ingaan op het jongvolwassenenbeleid. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid nodig zijn. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:
  • het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;
  • met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;
  • niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en
  • geen zelfstandig gezin hebben gevormd.
5.1.
Niet in geschil is dat eiser samenwoonde met referente en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. In geschil is of eiser voorziet in zijn eigen onderhoud. Bij de beoordeling van dit vereiste moet verweerder alle individuele omstandigheden betrekken. [7] Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, is het criterium dat verweerder moet hanteren voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid niet of eiser in zijn eigen levensonderhoud zou kúnnen voorzien, maar of hij dat (ten tijde van de peildatum) daadwerkelijk doet dan wel deed.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser in zijn eigen onderhoud voorziet en daarom het jongvolwassenenbeleid niet op hem van toepassing is. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat beide zussen van eiser hebben verklaard over door eiser verrichte werkzaamheden en inkomsten. [8] De verklaringen die eisers zus [zus] heeft afgelegd in haar aanmeldgehoor over de werkzaamheden van eiser als taxichauffeur zijn niet gecorrigeerd, ook niet toen zij tijdens haar nader gehoor wees op verklaringen in het aanmeldgehoor waarbij verwarring was ontstaan met de tolk. Ook eiser zelf heeft in zijn (nareis)gehoor onvoldoende toelichting en verduidelijking kunnen bieden waarom de verklaring van zijn zus onjuist zou zijn. Ook over de gestelde werkzaamheden en over wat maakt dat eiser niet werkt, heeft hij geen duidelijkheid kunnen bieden. De in beroep ingenomen stelling dat eisers medische omstandigheden in de weg staan aan het verrichten van werk en alleen al daarom niet uit kan worden gegaan van de verklaring van zijn zus, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd of toegelicht wat maakt dat zijn medische omstandigheden in de weg zouden staan aan het verrichten van werk.
5.3.
De rechtbank overweegt verder dat de gemachtigde van eiser terecht naar voren heeft gebracht dat de leeftijd van eiser op zichzelf niet hoeft te betekenen dat het jongvolwassenenbeleid niet op hem van toepassing is. Verweerder heeft de leeftijd van eiser betrokken in de besluitvorming en heeft per voorwaarde beoordeeld of eiser daaraan voldoet. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat verweerder te zwaar heeft getild aan zijn leeftijd.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben omdat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Deze elementen kunnen onder meer zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
6.1.
De bestuursrechter toetst het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden volledig. Ook toetst de bestuursrechter de motivering van verweerder volledig. Daarbij gaat de bestuursrechter na of de motivering in objectieve zin begrijpelijk is. De bestuursrechter toetst de uitkomst van de beoordeling of familie- en gezinsleven op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaat enigszins terughoudend, omdat verweerder die uitkomst moet baseren op een weging van de in samenhang bezien betrokken feiten en omstandigheden. Verweerder heeft daarbij beoordelingsruimte. De uitkomst van deze beoordeling is dus niet alleen gebaseerd op een feitenvaststelling.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referente. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
7.1.
Eiser heeft bij zijn aanvraag een medische verklaring overgelegd van een Syrische arts waaruit blijkt dat hij lijdt aan
convulsive seizures. Verweerder heeft dit stuk niet betrokken in de beoordeling en heeft in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser zijn medische omstandigheden niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank ziet hierin een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft de medische omstandigheden en gestelde medische afhankelijkheid namelijk wel onderzocht door daar vragen over te stellen in het gehoor. [9] Eiser is in dit gehoor bevraagd over zijn medische omstandigheden en de daaruit volgende afhankelijkheid van referente, waarbij hij verklaart dat hij medicijnen neemt tegen stress en depressie en dat hij niet weet of hij vanwege zijn medische klachten geholpen moet worden met zijn dagelijkse bezigheden, maar dat zijn moeder eigenlijk beter is dan 1000 artsen en dat het beter gaat als hij met haar is. [10] Ook in het bestreden besluit is de medische situatie van eiser betrokken. Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat, met name gelet op de verklaringen in voormeld gehoor van eiser, niet is onderbouwd dat de medische omstandigheden maken dat eiser afhankelijk is van de zorg van referente. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde medische verklaring van de Syrische arts. Eiser heeft niet onderbouwd of met zijn verklaringen inzichtelijk gemaakt welke hulp hij precies nodig heeft en welke zorgtaken referente voor hem verricht. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat ook niet is onderbouwd dat andere familieleden eiser niet zouden kunnen helpen, zoals in het verleden is gebeurd en nu ook gebeurt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder mogen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid vanwege eisers medische situatie. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek te passeren. [11]
7.2.
Verweerder heeft over de gestelde financiële afhankelijkheid tussen eiser en referent het standpunt mogen innemen dat onvoldoende is onderbouwd dat referente eiser financieel steunt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er geen bewijsstukken zijn overgelegd van de gestelde financiële steun. Eiser heeft toegelicht dat hij contant geld ontvangt en daarom geen bewijsstukken kan overleggen, maar heeft hij met zijn verklaringen ook niet inzichtelijk gemaakt hoeveel geld dit betreft, op welke wijze en hoe vaak hij dit geld ontvangt.
7.3.
De rechtbank overweegt verder, enigszins terughoudend toetsend, dat verweerder het standpunt heeft mogen innemen dat het bestaan van emotionele afhankelijkheid [12] en het feit dat eiser en referente altijd hebben samengewoond, ook in samenhang met de andere feiten en omstandigheden, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Hoorplicht
8. Ten slotte overweegt de rechtbank dat verweerder heeft mogen afzien van het horen van eiser in de bezwaarfase. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [13] Eiser is voorafgaand aan het besluit in primo gehoord, waarbij hij ook heeft verklaard over zijn medische situatie. Er bestonden geen onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex. [14] Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om eiser te horen in bezwaar. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond.
10. In het in rechtsoverweging 7.1 geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.868,-. [15]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Het betreft de verklaringen van [zus] in het aanmeldgehoor van 2 februari 2022.
3.De tegenwerping in het bestreden besluit, dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat in gezinsverband is samengewoond, heeft verweerder ter zitting laten vallen.
4.Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3343.
5.Werkinstructie 2024/4.
6.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, r.o. 8.6.
8.Ter zitting heeft verweerder nog gewezen op pagina 5 van het nader gehoor van zus Abir.
9.Zie het verslag van het gehoor van 2 juli 2024.
10.Idem, p. 14 en 15.
11.Artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
12.Ter zitting heeft verweerder het standpunt in het bestreden besluit, dat hier geen sprake van is, laten vallen.
13.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
14.Zie rechtsoverweging 5.2 van de uitspraak in de vorige noot.
15.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.