Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8925

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.36575
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs huwelijk Eritrea

Eiser, een Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vermeende echtgenote, referente, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat het huwelijk niet aannemelijk was gemaakt. De overgelegde kerkelijke huwelijksakte vertoonde ongerijmdheden, zoals een handtekening van een overleden persoon en tegenstrijdige huwelijksdata.

Eiser stelde dat verweerder eerst het huwelijk had moeten beoordelen en niet de relatie, en dat de verklaringen over het huwelijk onvoldoende waren betrokken. Ook voerde hij aan dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat verweerder onjuist was begonnen met het onderzoeken van de relatie, maar dat dit niet tot een gegrond beroep leidde omdat het huwelijk ook zonder die verklaringen onvoldoende aannemelijk was.

De rechtbank vond de motivering van verweerder over de ongerijmdheden in de huwelijksakte en de tegenstrijdige verklaringen voldoende. Ook was eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om tegenstrijdigheden toe te lichten. Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro was verweerder volgens de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom niet ambtshalve werd getoetst, verwijzend naar het geldende beleid.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs van het huwelijk wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36575

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij heeft een aanvraag gedaan voor een mvv in het kader van nareis om bij zijn gestelde echtgenote, [referente] (referente), te kunnen verblijven. Eiser en referente stellen te zijn getrouwd in Eritrea in 2014. Referente heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in 2015 en vervolgens een aanvraag voor een mvv ingediend voor eiser, die destijds in Eritrea gevangen zat. In 2022 heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend nadat hij is vrijgekomen en naar Ethiopië is gevlucht.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de familierechtelijke relatie met referente niet is aangetoond. Niet is aangetoond dat eiser en referente zijn getrouwd. De overgelegde kopie van een kerkelijke huwelijksakte is daartoe onvoldoende, omdat dit een kopie betreft en omdat de inhoud van het document afwijkt van de verklaringen van eiser en referente. Zo staat op de akte de handtekening van de moeder van referente, terwijl zij ten tijde van het huwelijk al overleden zou zijn. Eiser en referente hebben wisselend verklaard over het moment van afgifte van de akte en op de akte staat een andere huwelijksdatum dan de data waar eiser en referente over hebben verklaard. Ook hebben eiser en referente wisselend verklaard over meerdere onderdelen van hun relatie en de totstandkoming van hun huwelijk.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder de aanvraag onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd dat het huwelijk tussen eiser en referente niet aannemelijk is. Het huwelijk is rechtsgeldig in Eritrea en een kerkelijke huwelijksakte is daar bewijs van. Verweerder had daarom een beoordeling moeten maken van de vraag of er sprake is van een wettelijk huwelijk. In plaats daarvan heeft verweerder zich ten onrechte eerst gericht op het onderzoeken van de vraag of sprake is van een relatie en hoe de relatie wordt ingevuld. De verklaringen die eiser en referente in dat kader hebben afgelegd, heeft verweerder vervolgens ten onrechte betrokken bij de beoordeling die in bezwaar is gemaakt van het bestaan van het huwelijk.
4.1.
Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte veel gewicht heeft toegekend aan de vermeende vaagheden op de huwelijksakte en de vermeende tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser en referente. De vaagheden en tegenstrijdigheden zien namelijk op bijzaken. Bovendien had verweerder meer rekening moeten houden met de geboden uitleg en met de persoonlijke omstandigheden van eiser en referente bij het afleggen van de verklaringen. Ook heeft verweerder eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld om de vermeende tegenstrijdigheden te verduidelijken, nu het bij het afleggen van het gehoor niet duidelijk was welke verklaringen van referente hem werden tegengeworpen.
4.2.
Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Het is excessief formalistisch om te vereisen dat eiser een nieuwe aanvraag daarvoor indient, ook gelet op de jurisprudentie die voorschrijft dat verzoeken van vluchtelingen om gezinshereniging welwillend en voortvarend worden behandeld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Mocht verweerder vinden dat niet is aangetoond dat eiser en referente zijn getrouwd?
5. Verweerder heeft zich in het besluit in primo op het standpunt gesteld dat een kerkelijke huwelijksakte in Eritrea niet geldt als een officieel familierechtelijk document ter onderbouwing van een huwelijk en dat eiser daarom met het overleggen van een kerkelijke huwelijksakte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is getrouwd met referente. Verweerder heeft vervolgens het onderzoek en de beoordeling gericht op de vraag of er sprake is van een (partner)relatie tussen eiser en referente. Verweerder heeft eiser en referente gehoord voorafgaand aan het besluit in primo. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft verweerder zijn standpunt over de huwelijksakte gewijzigd en erkend dat de beoordeling had moeten zien op het bestaan van een huwelijk – en niet op het bestaan van een partnerschap. Vervolgens heeft verweerder geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat er sprake is van een huwelijk, gelet op de inhoud van de huwelijksakte en tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser en referente. Verweerder heeft daarbij verklaringen betrokken die zien op de relatie van eiser en referente, afgelegd toen zij werden bevraagd over het bestaan van een relatie.
5.1.
De rechtbank overweegt dat voornoemde handelswijze van verweerder niet juist is geweest en dat verweerder de verklaringen van eiser en referente over (de duur en totstandkoming van) hun relatie niet had mogen betrekken in de beoordeling van het gestelde huwelijk. Dit leidt echter niet tot een gegrond beroep omdat verweerder, ook zonder deze verklaringen, voldoende gemotiveerd heeft waarom het huwelijk niet aannemelijk wordt gevonden.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan naar het gestelde huwelijk van eiser en referente. Verweerder heeft in de ongerijmdheden op de huwelijksakte terecht aanleiding gezien om verder onderzoek te doen naar het gestelde huwelijk. De rechtbank acht hiervoor met name relevant dat op de akte een andere huwelijksdatum staat vermeld dan de datum waar referente over heeft verklaard tijdens haar asielprocedure en dat de handtekening van de moeder van referente op de akte staat, terwijl zij al zou zijn overleden ten tijde van het huwelijk. Hoewel verweerder vervolgens in de gehoren de nadruk van het onderzoek ten onrechte heeft gelegd in de relatie van eiser en referente, heeft verweerder ook vragen gesteld die zien op het gestelde huwelijk. Zo zijn eiser en referente gevraagd te verklaren over het huwelijksaanzoek, over de getuigen op het huwelijk, over de locatie en aanwezigheid van gasten bij de huwelijksvoltrekking en over de huwelijksakte. Verweerder heeft de verklaringen van eiser en referente over het gestelde huwelijk kenbaar betrokken in de beoordeling. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser en referente tegenstrijdig hebben verklaard over de getuigen op hun huwelijk, over de huwelijksdatum en over de aanwezigheid van de vader van referente bij het huwelijk. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij en referente onvoldoende zijn geconfronteerd met deze tegenstrijdigheden en daarom onvoldoende gelegenheid hebben gehad om de tegenstrijdigheden te verklaren. Zo zijn eiser en referente tijdens de gehoren gewezen op de verklaringen van de ander, [2] en hebben zij ook met het bezwaar voldoende kans gehad om een nadere toelichting te bieden. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat verweerder de verklaringen die referente tijdens haar asielprocedure heeft afgelegd, niet bij de beoordeling had mogen betrekken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom de verklaringen uit de asielprocedure die zien op het huwelijk relevant zijn en op welke wijze rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van referente bij het afleggen van de verklaringen. Daar komt bij dat, zoals hiervoor is overwogen, eiser en referente in de gelegenheid zijn gesteld om ook de tegenstrijdigheden die uit deze verklaringen voortkomen toe te lichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Moest verweerder doortoetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM?
6. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [3] volgt dat in een nareisaanvraag altijd een impliciet beroep op artikel 8 van Pro het EVRM besloten ligt. Verweerder moet daarom in elke nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het EVRM of mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor deze motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval deugdelijk gemotiveerd waarom niet ambtshalve aan artikel 8 van Pro het EVRM is getoetst. Ter zitting heeft verweerder gewezen op het Informatiebericht 2024/7 dat is opgesteld naar aanleiding van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. [4] Conform dit informatiebericht heeft verweerder geen ambtshalve toets aan artikel 8 van Pro het EVRM uitgevoerd, omdat er een regulier kader bestaat voor de aanvraag van eiser. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser vervelend is dat hij al heel lang gescheiden is van referente en opnieuw een aanvraag moet indienen als hij zijn situatie wil laten toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM, maar niet is gebleken dat hij daartoe niet de mogelijkheid heeft. Verweerder heeft ondanks de lange duur van de scheiding en van de behandeling van de aanvraag, kunnen wijzen op het beleid.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld het gehoor van eiser van 1 juli 2024, op pagina 10 en het gehoor van referente van 18 juni 2025, op pagina’s 5 en 7.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804.
4.Idem.