Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8931

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
09/347177-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opslaan professioneel vuurwerk en voorhanden hebben geïmproviseerd explosief

De rechtbank Den Haag heeft op 13 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk en een geïmproviseerd explosief. Op 19 december 2025 werd in een loods te Roelofarendsveen een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk aangetroffen, evenals een geïmproviseerd explosief. Verdachte was mede-eigenaar van het pand en betrokken bij het ophalen, vervoeren en opslaan van het vuurwerk.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het voorhanden hebben van een vuurwapen, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij zich bewust was van de aanwezigheid daarvan. Wel werd circa 248 kilogram professioneel vuurwerk en het geïmproviseerde explosief bewezen verklaard. De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was, gezien zijn betrokkenheid en bewustheid van het vuurwerk.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de gevaren van professioneel vuurwerk, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 10 maanden op, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De voorlopige hechtenis werd geschorst en de inbeslaggenomen voertuigen werden teruggegeven aan de rechthebbenden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van opslaan professioneel vuurwerk en voorhanden hebben geïmproviseerd explosief.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Parketnummer: 09/347177-25
Datum uitspraak: 13 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.S. Rozenbeek naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 19 december 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en
Braassem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk,
professioneel vuurwerk en/of of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik,
bestemd voor particulier gebruik, te weten:
- 4,28 kilogram (snel)lont en/of
- 230 stuks, althans een of meer stuks, shells en/of mortierbommen en/of
- 95 stuks, althans een of meer stuks, bangers en/of
- 14,49 kilogram en/of 25 stuks althans een of meer stuks, vuurpijlen en/of
- 4,85 kilogram fontein en/of
- 12,04 kilogram en/of 11 stuks, althans een of meer stuks, batterij en/of flowerbed
en/of
- 1 Romeinse kaars
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of
heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad (in een loods/bedrijfspand aan het
Veenderveld 70) en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;
2
hij op of omstreeks 19 december 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en
Braassem
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een
ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing
van een vuurwapen van het merk Sig Sauer, model P320, kaliber 4,5 mm
voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 19 december 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en
Braassem
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een geïmproviseerd explosief,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door
vuur of door middel van ontploffing
voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 tenlastegelegde en heeft ten aanzien van feit 1 partiële vrijspraak bepleit voor het deel dat is aangetroffen in de kast van het pand en de Renault Kangoo met kenteken [kenteken 1] en voor het medeplegen.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Vrijspraak voorhanden hebben vuurwapen
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat de verdachte als (mede)pleger betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van een vuurwapen op 19 december 2025. De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar blijkt dat het vuurwapen is aangetroffen in het pand waarvan de verdachte mede-eigenaar is, maar dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het vuurwapen. De rechtbank acht het voorhanden hebben van het vuurwapen dan ook niet bewezen en zal de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage Iopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 19 december 2025 zagen verbalisanten een bestelauto met kenteken [kenteken 2] rijden, waarop een ANPR-notificatie was afgegeven. Het voertuig werd in verband gebracht met de handel in illegaal vuurwerk. Het voertuig reed vervolgens naar binnen bij een loods gelegen aan de [adres 2] , waar het bedrijf is gevestigd op naam van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] . Op basis van de verdenking dat er professioneel vuurwerk aanwezig was, is de politie de loods binnengetreden. Daarbij heeft de politie een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk aangetroffen in de loods, in de bestelbus Renault Traffic met kenteken [kenteken 2] en in een bestelbus Renault Kangoo met kenteken [kenteken 1] . Tevens werd een nabootsing van een vuurwapen en een stuk geïmproviseerd vuurwerk aangetroffen.
De verdachte heeft verklaard alleen bekend te zijn geweest met het vuurwerk dat in het pand in dozen lag, maar geen kennis te hebben gehad van het wapen en het overige vuurwerk dat in de kasten en in de bestelbussen was aangetroffen.
Feiten 1 en 3
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van de ten laste gelegde vuurwerkartikelen is vereist dat de verdachte dat vuurwerk bewust aanwezig heeft gehad. Voldoende is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het vuurwerk, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het vuurwerk of tot de exacte locatie van dat vuurwerk. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het (gelet op alle omstandigheden) niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
De rechtbank overweegt dat de verdachte mede-eigenaar was van het pand, toegang had tot het pand en de kasten waar vuurwerk in werd opgeslagen en ook daadwerkelijk weleens binnen in de kasten had gekeken. Daarnaast is gebleken dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] op 19 december 2025 een grote hoeveelheid vuurwerk had opgehaald met een bestelbus die op naam van hun bedrijf stond. Dit vuurwerk werd aangetroffen terwijl de verdachte en de medeverdachte bezig waren met het uitladen daarvan in hun loods. Zowel dat vuurwerk als het vuurwerk dat in de kasten was aangetroffen betrof grote hoeveelheden professioneel vuurwerk. Uit deze omstandigheden in samenhang bezien leidt de rechtbank af dat de verdachte bewust was van de aanwezigheid van al het vuurwerk dat in de loods, inclusief de kasten, was aangetroffen. Dit betekent dat het voorhanden hebben zich eveneens uitstrekt tot het geïmproviseerde vuurwerk dat in een van de kasten was aangetroffen.
Op basis van het dossier komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van ca. 248 kg vuurwerk; welke van de tenlastegelegde aantallen en soorten vuurwerk dat zijn, is niet vast te stellen. De rechtbank zal daarom ca. 248 kg vuurwerk bewezen verklaren.
Ten aanzien van het professionele vuurwerk dat in een bestelbus Renault Kangoo met kenteken [kenteken 1] buiten de loods was aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dan wel zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het vuurwerk in die bestelbus. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel dan ook vrijspreken.
Gelet op het feit dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] eigenaar was van de loods en de bestelbus in de loods, en dat de verdachte samen met de medeverdachte in ieder geval een deel van het aangetroffen professioneel vuurwerk op 19 december 2025 had gekocht, opgehaald, vervoerd, uitgeladen en opgeslagen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. Deze is van voldoende gewicht om tot bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwerk in de loods te komen. De omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachte ieder de helft van het bedrag voor het vuurwerk hebben betaald, doet daar niet aan af.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 19 december 2025 te Roelofarendsveen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk,
een hoeveelheid van circa 248 kilogramprofessioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik,
bestemd voor particulier gebruik
heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad (in een loods/bedrijfspand aan het
Veenderveld 70);
3
hij op 19 december 2025 te Roelofarendsveen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een geïmproviseerd explosief,
voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot strafoplegging komt, heeft de verdediging verzocht te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan het opslaan en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk en een geïmproviseerd explosief. De verdachte heeft, samen met medeverdachte [medeverdachte] , op de genoemde dag een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk vervoerd in een bestelbus, waarna zij deze samen hebben uitgeladen in de loods. Hierbij heeft de verdachte geen enkele veiligheidsmaatregel getroffen.
Het bezit van dergelijk vuurwerk, in grote hoeveelheden en op de gekozen opslaglocaties zoals een bestelbus en een bedrijfsterrein, vormt een aanzienlijke bedreiging voor de algemene veiligheid. Dit geldt in het bijzonder voor professioneel vuurwerk, dat een zwaardere of explosievere lading bevat dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten mag worden verkocht. Het afsteken van professioneel vuurwerk door particulieren brengt grote risico’s met zich mee. Niet alleen voor degene die het afsteekt, maar ook voor de omstanders. Professioneel vuurwerk kan massa-explosief reageren. Dit houdt in dat indien één exemplaar in een partij, waarin het vuurwerk dicht op elkaar ligt, ontbrandt en explodeert, de kans groot is dat de gehele partij mee-explodeert. Door het vuurwerk op te slaan, te vervoeren en daarnaast in de directe omgeving van een zelfgemaakt explosief te bewaren, heeft de verdachte de reeds bestaande gevaren van dit professioneel vuurwerk aanzienlijk vergroot en de veiligheid van zowel zichzelf als anderen en hun bezittingen in ernstige mate in gevaar gebracht.
Daarnaast was het vuurwerk opgeslagen op een terrein waar meerdere bedrijven zijn gevestigd. Bij een explosie zouden niet alleen de verdachte, maar ook de omliggende bedrijven ernstig getroffen kunnen worden. Het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV) heeft in een proces-verbaal een gevaarzetting met betrekking tot het aangetroffen vuurwerk opgenomen. Zij beschrijven dat de opslagplaats op geen enkel vlak voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. Indien er brand zou uitbreken zou dit ernstige gevolgen hebben voor personen of goederen in de nabijheid.
Verdachte is bekend met de gevaren van professioneel vuurwerk. Toch heeft het hem er niet van weerhouden om dergelijk vuurwerk te verzamelen en op te slaan, met alle gevaren en risico’s van dien. De rechtbank rekent verdachte deze gevaarzettingen zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 19 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover deze volgen uit het dossier en door hem ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Hij woont met zijn vriendin en werkt in de installatietechniek.
Strafmaat
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij haar beslissing over de hoogte daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten en de grote hoeveelheid aangetroffen gevaarzettende goederen, zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van
tien maandenopleggen, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze straf is lager dan de door de officier van justitie gevorderde straf, vanwege het feit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het bezit van ca. de helft van de tenlastegelegde hoeveelheid vuurwerk, en van het vuurwapen.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 5 januari 2026 geschorst. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het geschorste bevel dient te worden opgeheven of dat voortduring van de schorsing op zijn plaats is.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment nog steeds sprake is van gevaar voor recidive en is van oordeel dat de reeds geldende schorsingsvoorwaarden ook op dit moment nog zijn aangewezen. De rechtbank zal derhalve geen beslissing nemen over de voorlopige hechtenis, waardoor de schorsing (met bijbehorende voorwaarden) van rechtswege zal voortduren.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten de bestelauto Renault Kangoo met kenteken [kenteken 1] , verbeurd wordt verklaard, omdat dit voorwerp is gebruikt bij het begaan van feit 1. Ten aanzien van het andere op de beslaglijst genoemde voorwerp, de bestelauto Renault Traffic met kenteken [kenteken 2] , heeft de officier van justitie gevorderd dat deze wordt teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde de leasemaatschappij.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht tot teruggave van de auto’s, nu deze belangrijk zijn voor de verdachte voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voertuigen dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende. Hoewel beide bestelauto’s bij het strafbare feit 1 zijn gebruikt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor verbeurdverklaring daarvan. De auto’s zijn niet speciaal bestemd of geschikt voor het plegen van dergelijke misdrijven; bovendien zijn ze van belang voor de bedrijfsvoering van de verdachte en de medeverdachte. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave van de auto’s verzet.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 Wet wapens en munitie;
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 9.2.2.1 Wet milieubeheer;
- 1.2.2 Vuurwerkbesluit.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit);
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
10 (TIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
5 (vijf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: de bestelauto Renault Kangoo met kenteken [kenteken 1] en de bestelauto Renault Traffic met kenteken [kenteken 2] .
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. G. Kuijper, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim en A.C. Veltink, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 april 2026.