ECLI:NL:RBDHA:2026:8932

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.1131 en NL26.1132
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ernstige bedreiging openbare orde en niet-geloofwaardige identiteit

Eiser, een Eritrese nationaliteit dragende man, diende een herhaalde asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat eiser een ernstige strafrechtelijke veroordeling had voor openlijk geweld in vereniging, wat een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Daarnaast werd zijn identiteit niet geloofwaardig bevonden vanwege het ontbreken van identificerende documenten en wisselende verklaringen.

Eiser voerde aan dat de behandeling van zijn beroep aangehouden moest worden tot het hoger beroep tegen zijn strafvonnis was afgerond, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet noodzakelijk was. De belangenafweging van de minister, waarbij het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea werd erkend maar het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder woog, werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld.

Verder werd het beroep afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een gezinsleven met zijn partner of ouders in Nederland. De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege een ernstige strafrechtelijke veroordeling en onvoldoende geloofwaardigheid van de identiteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.1131 en NL26.1132
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser],[V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. S. Selbach),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 9 oktober 2022 een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de autoriteiten in Eritrea omdat hij illegaal het land uit is gereisd en omdat hij de dienstplicht niet heeft vervuld.
2.1.
Eiser heeft eerder in 2019 een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard omdat de Duitse autoriteiten eiser subsidiaire bescherming hebben verleend. In 2021 hebben de Duitse autoriteiten deze beschermingsstatus ingetrokken en aan eiser een tijdelijke verblijfsvergunning verleend. Die vergunning is verlopen in november 2022.
2.2.
Op 31 maart 2025 is eiser door de rechtbank Den Haag veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar. Eiser heeft deze straf gekregen vanwege zijn actieve deelname aan het plegen van openlijk geweld in vereniging op 17 februari 2024 nabij zalencentrum Opera in Den Haag. Eiser heeft op 8 april 2025 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit drie asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De militaire dienstweigering;
3. De illegale uitreis van eiser.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit van eiser niet geloofwaardig. [1] Eiser heeft zijn identiteit niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft geen inspanning verricht om (bijvoorbeeld via familieleden) identificerende documenten te verkrijgen. Ook heeft eiser wisselend verklaard over het verliezen van een schoolpas. Eiser is bovendien in Duitsland geregistreerd met andere persoonsgegevens
.De nationaliteit en herkomst van eiser vindt verweerder wel geloofwaardig. Verweerder vindt het ook geloofwaardig dat eiser de militaire dienst heeft geweigerd en dat hij illegaal Eritrea is uitgereisd. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, omdat zijn vrees niet te herleiden is tot een van de verdragsgronden. Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [2] bij terugkeer naar Eritrea omdat hij de militaire dienst moet vervullen en omdat hij op illegale wijze Eritrea heeft verlaten.
3.2.
Verweerder heeft eiser toch geen verblijfsvergunning verleend omdat eiser een ernstig misdrijf heeft gepleegd. [3] Uit de veroordeling van eiser blijkt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf: het in vereniging plegen van openlijk geweld, waarvoor hem een gevangenisstraf van 12 maanden is opgelegd. Eiser is veroordeeld voor een misdrijf wat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap vormt, grote schade heeft veroorzaakt en een schok in de maatschappij teweeg heeft gebracht. Het persoonlijke gedrag van eiser en zijn rol in de geweldpleging maakt dat hij een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt, zo blijkt uit het vonnis en de houding van eiser tijdens het strafproces. Nu het gepleegde feit in 2024 heeft plaatsgevonden, eiser daarvoor in 2025 is veroordeeld en niet is gebleken dat eiser initiatief heeft getoond om hulp en begeleiding te krijgen van de reclassering, vormt eiser ook een actuele bedreiging voor de openbare orde. Daar komt nog bij dat eiser in 2019 in Duitsland is veroordeeld en een gevangenisstraf van een jaar heeft uitgezeten vanwege het bij een ruzie, onder invloed van alcohol, veroorzaken van ernstig lichamelijk letsel. Eiser heeft daarover in deze asielprocedure geen openheid van zaken gegeven. Ten slotte is sprake van een bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, nu eiser geweld heeft gepleegd tegen politieagenten en hulpverleners, zijn gedragingen grote verontwaardiging in de maatschappij hebben veroorzaakt en aan hem een zware straf is opgelegd.
3.3.
Verweerder heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag van eiser niet onevenredig is en geen schending oplevert van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [4] Gelet op het risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Eritrea, heeft verweerder geen terugkeerbesluit opgelegd. Het bestreden besluit is ook een besluit tot signalering in het SIS-systeem van 10 jaar.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Bij het noteren van zijn gegevens in Duitsland zijn de geboortedag en -maand van eiser omgewisseld. Verder voert eiser aan dat de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt onvolledig en onjuist is, omdat er niet is gewacht tot een uitspraak op het hoger beroep wat eiser heeft ingesteld tegen het vonnis waarin hij strafrechtelijk is veroordeeld. De gevolgen voor eiser bij terugkeer naar Eritrea zijn heel groot en zijn belangen om de uitkomst van het hoger beroep af te wachten, wegen daarom zwaar. Eiser heeft ter zitting daarom een verzoek gedaan tot aanhouding van de behandeling van het beroep zo lang het vonnis nog niet onherroepelijk is. Tegen de openbare orde toets die verweerder heeft verricht, heeft eiser geen beroepsgronden gericht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en legt dat hieronder uit.
Zienswijze ingelast en herhaald
6. De rechtbank overweegt ten eerste dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat de reactie van verweerder op de in de zienswijze ingenomen stellingen die gaan over de belangen van eiser, onvoldoende is. De rechtbank gaat hieronder in op de beroepsgrond die ziet op deze belangen en zal de overige stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
De identiteit van eiser
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. Verweerder heeft mogen stellen dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd en wisselend heeft verklaard over het al dan niet verliezen van zijn schoolpas, wat, zoals de rechtbank begrijpt, volgens verweerder een indicatief document is waarmee eiser zijn identiteit had kunnen onderbouwen. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser geen duidelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van identificerende documenten en voor de wisselende verklaringen die hij daarover heeft afgelegd. Verweerder heeft ook mogen tegenwerpen dat eiser geen pogingen heeft ondernomen om identificerende documenten te verkrijgen, terwijl hij meermaals is gewezen op het belang daarvan en hij ook nog familieleden in Eritrea heeft. Ook op dit punt heeft verweerder mogen vinden dat eiser onvoldoende uitleg heeft kunnen geven. Ten slotte heeft verweerder hierbij mogen betrekken dat eiser in Duitsland bekend staat met andere persoonsgegevens. De afwijkende gegevens betreffen meer dan alleen de geboortedatum van eiser. Verweerder mag de in Duitsland geregistreerde gegevens daarom betrekken, wat er ook van zij van de gestelde verwisseling van geboortedag en geboortemaand.
De weging van de belangen van eiser
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de uitspraak op het hoger beroep van eiser tegen het strafvonnis had moeten afwachten. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om aanhouding van de behandeling van zijn beroep af en legt dit hierna uit.
8.1.
Uit het Vreemdelingenbesluit volgt dat het feit dat eisers strafrechtelijke veroordeling nog niet onherroepelijk is, in dit geval niet in de weg staat aan de weigering om een asielvergunning te verlenen. Anders dan bij de weigering van een asielvergunning die (wanneer er geen ernstig misdrijf zou zijn gepleegd) zou worden verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a van de Vw, mag verweerder weigeren om een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b van de Vw te verlenen vanwege een strafrechtelijk vonnis wat (nog) niet onherroepelijk is. [5] Verweerder mag deze vergunning al weigeren wanneer er ‘ernstige redenen’ bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de strafrechtelijke veroordeling van eiser een ernstige reden als daar bedoeld vormt om aan te nemen dat eiser een ernstig misdrijf heeft gepleegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden tot het moment waarop de veroordeling van eiser onherroepelijk zou zijn.
8.2.
Tegen deze achtergrond kan de rechtbank eiser ook niet volgen in zijn stelling dat de belangenafweging die verweerder in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel heeft verricht onvolledig zou zijn, omdat er nog hoger beroep loopt in zijn strafzaak. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting voldoende gemotiveerd dat de persoonlijke omstandigheden van eiser geen aanleiding geven om af te wijken van voornoemde regelgeving. Verweerder heeft in de belangenafweging mogen betrekken dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Eritrea, dat hij daarom geen terugkeerbesluit krijgt opgelegd maar op grond van artikel 61 van Pro de Vw Nederland uit eigen beweging moet verlaten, en dat de belangen om de Nederlandse samenleving te beschermen tegen het ernstige gevaar dat eiser vormt zwaarder wegen dan eisers belang om rechtmatig verblijf te verkrijgen in Nederland. Hiermee heeft verweerder goed uitgelegd dat de afwijzing van de aanvraag een legitiem doel dient, een geschikt en noodzakelijk middel is en evenwichtig is.
8.3.
De rechtbank volgt eiser ten slotte ook niet in zijn stelling dat aan zijn belangen, met name zijn familiebanden in Nederland, onvoldoende gewicht is toegekend. Verweerder heeft geen gezinsleven aangenomen tussen eiser en zijn partner, omdat zij niet samenwonen, de relatie korter dan een jaar duurt en zij elkaar af en toe zien. Verweerder heeft ook geen gezinsleven aangenomen tussen eiser en zijn ouders, omdat hij als minderjarige uit Eritrea is vertrokken, al jaren niet met zijn ouders in gezinsverband heeft samengewoond, ruim twee jaar alleen als meerderjarige in Duitsland heeft gewoond en inmiddels 24 jaar oud is. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser na zijn komst naar Nederland niet bij zijn familie is gaan wonen, maar op het AZC is gebleven. Volgens verweerder is niet gebleken dat zijn ouders eiser financieel hebben onderhouden en heeft hij niet onderbouwd dat hij van het COA geen toestemming kreeg om bij zijn ouders te wonen. Volgens verweerder zijn er dus geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders. Tussen eiser en zijn broers en zussen heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser 10 jaar lang niet met hen heeft samengewoond en dat de relatie die hij beschrijft niet duidt op hechte persoonlijke banden. Eiser heeft dit alles in beroep niet bestreden. Vervolgens heeft verweerder een uitgebreide belangenafweging gemaakt in het kader van de inbreuk op het privéleven van eiser, waarbij verweerder de criteria uit de arresten van het EHRM in de zaken Boultif en Üner [6] heeft betrokken. Daarbij is ook het contact met zijn in Nederland verblijvende familieleden kenbaar betrokken. Eiser is het niet eens met de uitkomst van de belangenafweging, maar heeft ook tijdens de zitting niet goed kunnen uitleggen waarom. De enkele stelling dat aan zijn familiebanden onvoldoende gewicht is toegekend, is voor de rechtbank, terughoudend toetsend en gezien de hiervoor kort weergegeven motivering van verweerder, onvoldoende om het besluit op dit punt onrechtmatig te vinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Onder verwijzing naar artikel 3.105e, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, en artikel 31, eerste lid, van de Vw.
5.Vergelijk artikelen 3.105e, onder b, en 3.105c, onder b, van het Vb.
6.Uitspraak van het EHRM van 2 augustus 2001 (Boultif t. Zwitserland), nr. 54273/00 en uitspraak van het EHRM van 18 oktober 2006 (Üner t. Nederland), nr. 46410/99.