ECLI:NL:RBDHA:2026:9

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11778852 RP VERZ 25-50509
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van schadevergoedingen na onregelmatige beëindiging arbeidsovereenkomst

In deze zaak verzoekt de werknemer, aangeduid als [verzoeker], om toekenning van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding na een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, La Crêpe c.s. De kantonrechter heeft op 9 januari 2026 uitspraak gedaan. De billijke vergoeding is afgewezen omdat deze niet is onderbouwd, terwijl de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding wel zijn toegewezen. De procedure begon met een verzoekschrift van [verzoeker] op 10 mei 2025, gevolgd door een verweerschrift van La Crêpe c.s. op 27 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 december 2025 werd duidelijk dat de werknemer zijn arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig had beëindigd, ondanks dat La Crêpe c.s. dit claimde. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever niet voldoende bewijs had geleverd voor de stelling dat de werknemer zelf ontslag had genomen. De kantonrechter concludeerde dat de arbeidsovereenkomst onregelmatig was beëindigd en dat de werknemer recht had op de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding, maar niet op de billijke vergoeding omdat deze niet was onderbouwd. De proceskosten werden toegewezen aan de werknemer, omdat de werkgever overwegend ongelijk kreeg.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer / rekestnummer: 11778852 \ RP VERZ 25-50509
Beschikking van 9 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,
tegen

1.LA CRÊPE,

gevestigd te 's-Gravenhage,
2. [verweerder sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerder sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: La Crêpe c.s.,
gemachtigde: mr. C.P. Zwaanswijk.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, gefixeeerde schadevergoeding en transitievergoeding na een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat deze niet is onderbouwd. De gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding worden wel toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 10 mei 2025,
- het verweerschrift 27 november 2025 met producties,
- aanvullend verzoekschrift van [verzoeker] van 3 december 2025,
- overlegging productie van [verzoeker] van 5 december 2025,
- akte vermeerdering van eis en overlegging productie van La Crêpe c.s. van 11 december 2025,
- de mondelinge behandeling van 12 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 2003, is werkzaam geweest bij La Crêpe c.s. De functie van [verzoeker] is volgens een arbeidsovereenkomst, die alleen ondertekend is door La Crêpe c.s., hulpkok. In die arbeidsovereenkomst staat dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar vanaf 1 juli 2024.
2.2.
Op de loonstrook van maart 2025 van [verzoeker] staat dat zijn dienstverband per 11 maart 2025 is beëindigd bij La Crêpe c.s. Zijn uurloon was op dat moment € 14,69 bruto.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om La Crêpe c.s. te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [verzoeker] is de opzegging niet rechtsgeldig. Hij voert daartoe aan dat hij via zijn loonstrook heeft moeten vernemen dat zijn arbeidsovereenkomst per 11 maart 2025 is beëindigd. La Crêpe c.s. heeft geen toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, evenmin heeft [verzoeker] ingestemd.
3.2.
La Crêpe c.s. voeren verweer en stellen dat het verzoek moet worden afgewezen. La Crêpe c.s. voeren ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoeker] op 8 maart 2025 zelf ontslag heeft genomen en daarna niet meer gewerkt heeft. Ondanks pogingen daartoe heeft La Crêpe c.s. geen contact meer kunnen krijgen met [verzoeker] . Dat op de loonstrook 11 maart 2025 als einddatum staat komt omdat de boekhouder dat per ongeluk fout heeft ingevoerd.
3.3.
Als zelfstandig tegenverzoek hebben La Crêpe c.s. de daadwerkelijke proceskosten gevorderd. Daaraan leggen zij ten grondslag dat [verzoeker] zijn verzoeken baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen en hij moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben.

4.De beoordeling

Verzoeken tijdig ingediend
4.1.
La Crêpe c.s. hebben betoogd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken omdat hij deze niet tijdig binnen de wettelijke vervaltermijnen heeft ingediend.
4.2.
De kantonrechter kan op basis van de gestuurde e-mails naar Zivver en het registratiesysteem het volgende vaststellen. De gemachtigde van [verzoeker] heeft op 10 mei 2025 twee verzoekschriften digitaal via Zivver ingediend bij de griffie van de rechtbank. Een verzoekschrift zag op betaling van de aanzegvergoeding en is voorlopig ingeschreven onder zaaknummer 11695261 RP 25-50366. Het andere verzoekschrift, dat zag op betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding, is om onduidelijke redenen niet ingeschreven. Op 2 juli 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] per post een getekend verzoekschrift ingediend waarin een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding worden verzocht. In het begeleidend schrijven bij die brief is verwezen naar een eerder digitaal ingediend verzoekschrift op 10 mei 2025. Het verzoekschrift dat 2 juli is binnengekomen is (opnieuw) ingeschreven onder het huidige zaaknummer. Op 30 oktober 2025 heeft de griffie het verzoekschrift met zaaknummer 11695261 RP 25-50366 afgeboekt omdat geen origineel verzoekschrift is ontvangen. De verwarring die hierdoor is ontstaan bij (de gemachtigde van) La Crêpe c.s. is voorstelbaar. De verwarring is mede veroorzaakt nu de gemachtigde van [verzoeker] niets over deze procedure heeft vermeld in correspondentie met de gemachtigde van La Crêpe c.s. met betrekking tot de kort gedingprocedures tussen partijen over aanverwante onderwerpen. Hoe dan ook kan geconstateerd worden dat de onderhavige verzoeken tijdig binnen de vervaltermijn zijn ingediend bij de rechtbank. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoeken.
Geen opzegging van de arbeidsovereenkomst
4.3.
Vervolgens gaat het in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of La Crêpe c.s. moeten worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Vastgesteld kan worden dat [verzoeker] niet op staande voet is ontslagen en dat zijn arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is beëindigd. La Crêpe c.s. stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] zelf ontslag heeft genomen. Vooropgesteld wordt dat de stelplicht en bewijslast van die stelling bij La Crêpe c.s. ligt.
4.4.
Daarnaast geldt in geval van opzegging van de arbeidsovereenkomst door een werknemer op grond van vaste rechtspraak dat een "duidelijke en ondubbelzinnige" verklaring van de werknemer vereist is die gericht is op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer de dienstbetrekking daadwerkelijk heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die de opzegging van het dienstverband kan hebben, zoals het verlies van inkomen en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name het recht op een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal een werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht op beëindiging van de dienstbetrekking in overeenstemming is met diens werkelijke wil. Als er voor de werkgever reden is te twijfelen aan de met de verklaring overeenstemmende wil van de werknemer, rust op de werkgever een onderzoeksplicht, alsmede de verplichting om de werknemer over de mogelijke gevolgen van de opzegging voor te lichten.
4.5.
[verzoeker] heeft betwist dat hij op 8 maart 2025 zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft vennoot [verweerder sub 2] desgevraagd verklaard niet (meer) te weten of er andere personen bij dat incident aanwezig waren. Wel hebben La Crêpe c.s. gewezen op de Whatsapp-berichten van [verzoeker] en dan met name die van 12 maart 2025 waarin [verzoeker] schrijft: “
Ik informeer je dat ik sinds [08-03-2025] mijn werkzaamheden bij La Crepe heb beëindigd.” Dat zou inderdaad gelezen kunnen worden als een bevestiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Echter gaat het bericht verder over een mogelijke loonvordering. Dat er discussie is over het verschuldigde loon volgt ook uit eerdere berichten tussen [verzoeker] en La Crêpe c.s. Bovendien heeft [verzoeker] over het bericht van 12 maart verklaard dat hij Chatgpt heeft gebruikt om een formele brief te kunnen opstellen met betrekking tot de loonbetalingen. Verder heeft [verzoeker] een verklaring overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat hij op 9 maart 2025 weer gewerkt heeft en dus niet per 8 maart 2025 is gestopt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de opzegging was het aan La Crêpe c.s. om een nadere onderbouwing te geven van de gestelde opzegging. Nu dat niet is gedaan, ook niet in de vorm van een bewijsaanbod, wordt het verweer van La Crêpe c.s. als onvoldoende onderbouwd terzijde geschoven.
La Crêpe c.s. hadden voorts gezien de wijze waarop volgens hen de opzegging is gedaan, namelijk tijdens een ruzie op 8 maart 2025, in ieder geval nader onderzoek moeten doen naar de gestelde opzegging van [verzoeker] . Zoals hiervoor onder 4.4. al weergegeven hebben La Crêpe c.s. bij een dergelijke indicatie de verplichting om [verzoeker] te informeren over de mogelijke gevolgen van de opzegging en dat zij zich ervan vergewissen dat dit echt de bedoeling van [verzoeker] is. La Crêpe c.s. hebben dat niet gedaan. Zij voeren daartoe aan dat zij telefonisch geen contact kon krijgen met [verzoeker] , maar dat ontslaat haar niet van deze verplichting. Zij had immers ook schriftelijk [verzoeker] kunnen informeren, zoals [verzoeker] ook in een Whatsapp heeft geschreven. Dit alles heeft La Crêpe c.s. nagelaten.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de arbeidsovereenkomst door [verzoeker] is beëindigd. De arbeidsovereenkomst is echter wel door La Crêpe c.s. als beëindigd beschouwd. Dit blijkt uit het Whatsappbericht van 11 maart 2025 aan [verzoeker] en de melding bij de boekhouder waardoor op de loonstrook het einde dienstverband was ingevuld. Verder is [verzoeker] ook niet meer werkzaam geweest of opgeroepen voor werk. De wijze waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd is in strijd met de opzeggingsbepalingen van artikel 7:669 BW en maakt dat er onregelmatig is beëindigd. [verzoeker] heeft berust in het einde van de arbeidsovereenkomst.
De billijke vergoeding
4.7.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen. Hoewel hiervoor is geoordeeld dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, heeft [verzoeker] de verzochte vergoeding op geen enkele wijze onderbouwd. [1]
4.8.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [2] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.9.
[verzoeker] heeft de in 4.8 genoemde uitgangspunten allemaal opgesomd, maar heeft verzuimd om vervolgens met de concrete omstandigheden die in deze casus spelen tot een onderbouwing te komen tot het verzochte bedrag van € 7.500,-. De kantonrechter zal daarom de vordering afwijzen.
De gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding
4.10.
Voordat de hoogte van de wettelijke transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding berekend kunnen worden zal eerst de hoogte van het loon en de arbeidsomvang besproken moeten worden.
4.11.
[verzoeker] stelt dat hij als zelfstandig kok heeft gewerkt in plaats van als hulpkok. Volgens de van toepassing zijnde cao is het uurloon van een 20-jarige zelfstandige kok € 15,92 bruto. Zijn arbeidsomvang bedroeg gemiddeld 11 uur per dag. Dit leidt tot een maandsalaris van € 3.502,40 bruto (55 uur per week x 4 weken x € 15,92), aldus [verzoeker] . La Crêpe c.s. hebben dit niet weersproken, zodat deze gegevens als uitgangspunt worden genomen.
4.12.
De bij aanvullend verzoekschrift gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [3] De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. [verzoeker] verzoekt om toekenning van een bedrag van € 3.502,40 bruto. Dit hebben La Crêpe c.s. niet weersproken.
4.13.
Het verzoek om La Crêpe c.s. te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen, echter tot en ander bedrag dan nu gevorderd. Bij de berekening van de vergoeding is [verzoeker] uitgegaan van einde dienstverband per 1 juli 2025, terwijl hiervoor is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 11 maart 2025, omdat hij daarin heeft berust. La Crêpe c.s. worden daarom veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.298,87 bedraagt.
Zelfstandig tegenverzoek
4.14.
Gezien de toewijzing van (een deel van) de verzoeken van [verzoeker] kan niet gesteld worden dat hij verzoeken heeft ingediend die op onjuiste feiten en omstandigheden zijn gebaseerd die een daadwerkelijke proceskostenveroordeling rechtvaardigen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
4.15.
De proceskosten komen voor rekening van La Crêpe c.s., omdat zij overwegend ongelijk krijgen en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van La Crêpe c.s. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.039,- (€ 90,- aan griffierecht, € 814,- aan salaris gemachtigde en € 135,- aan nakosten).
[verzoeker] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, waardoor hij een lager griffierecht betaalt. Verder moet de vergoeding voor het salaris door de gemachtigde worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de gemachtigde toegekende vergoeding.
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt La Crêpe c.s. om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 3.502,40 bruto,
5.2.
veroordeelt La Crêpe c.s. om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.298,87 bruto,
5.3.
veroordeelt La Crêpe c.s. in de proceskosten van € 1.039,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad [4] ,
5.5.
wijst af het meer of anders door [verzoeker] verzochte,
5.6.
wijst af het tegenverzoek van La Crêpe c.s.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
3.Artikel 7:672 lid 11 BW.
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.