ECLI:NL:RBDHA:2026:9043
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf voor bezoek aan zoon ondanks bewezen familierelatie
Eiseres heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af omdat de relatie met de zoon niet was aangetoond en er twijfel bestond over de sociale en economische binding met Ghana, waardoor terugkeer niet gewaarborgd zou zijn.
Tijdens de zitting bleek dat de geboorteakte van de zoon wel aanwezig was, maar niet in het dossier van de minister. De rechtbank stelde eiseres in de gelegenheid deze alsnog toe te voegen, waardoor het primaire bezwaar tegen de aanvraag kwam te vervallen en het beroep gegrond werd verklaard.
Desondanks handhaafde de rechtbank de afwijzing van het visum omdat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Ghana kon aantonen. Haar kerkelijke activiteiten en het hebben van een volwassen dochter werden niet als zwaarwegende verplichtingen gezien die terugkeer garanderen. Ook was er geen bewijs van een substantieel inkomen of noodzaak tot aanwezigheid in Ghana.
Het beroep op schending van de hoorplicht werd verworpen omdat een toelichting op het bezwaar geen ander oordeel zou hebben opgeleverd. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van het griffierecht, maar zag af van een proceskostenveroordeling vanwege het late indienen van de geboorteakte.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens het alsnog overleggen van de geboorteakte, maar de afwijzing van het visum blijft in stand vanwege onvoldoende sociale en economische binding.