ECLI:NL:RBDHA:2026:906

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.24529
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000VluchtelingenverdragArrest T.Q. Hof van Justitie EUWet op de bestuursrechtelijke rechtsgang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Beninese Foulani wegens onvoldoende risico op ernstige schade bij terugkeer

Eiser, een Beninese Foulani, diende op 18 augustus 2024 een asielaanvraag in die op 27 mei 2025 werd afgewezen. Hij vreesde terugkeer vanwege twee pogingen tot moord door zijn oom en bedreigingen van buurtbewoners. De rechtbank behandelde het beroep en heropende het onderzoek vanwege aanvullende gronden en onvolledige weblinks.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De littekens werden niet medisch onderbouwd en de incidenten met de oom waren niet gericht op het verkrijgen van landbouwgrond. Ook de bedreigingen door buurtbewoners werden niet als voldoende risico beoordeeld.

Verder stelde de rechtbank dat de minister terecht aannam dat de Beninese autoriteiten bescherming bieden en dat eiser onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen bescherming kon inroepen. Ten aanzien van het buitenschuldbeleid voor minderjarige vreemdelingen was het onderzoek naar opvangmogelijkheden in Benin nog niet afgerond, waardoor geen vergunning werd toegekend.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter Y. Yeniay-Cenik en griffier S. Rashid op 20 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24529

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 augustus 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op 23 september 2025 heropend, omdat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest. Dit heeft te maken met de – kort voor zitting – door eiser ingediende aanvullende gronden van beroep van 29 augustus 2025. De rechtbank heeft geconstateerd dat eiser in die aanvullende gronden heeft verwezen naar een aantal weblinks die niet werken. De rechtbank heeft eiser daarom verzocht om weblinks te verstrekken die wel werken dan wel de betreffende artikelen te overleggen waarnaar de weblinks verwijzen. Daarnaast heeft de rechtbank eiser de gelegenheid gegeven een toelichting te geven op een door hem overgelegd document. Bij brief van 7 oktober 2025 heeft de gemachtigde van eiser hieraan gevolg gegeven. Vervolgens heeft de minister bij brief van 30 oktober 2025 gereageerd op deze reactie van eiser. De rechtbank heeft hierop het onderzoek op 17 december 2025 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Beninese nationaliteit en behoort tot de Foulani bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard niet te weten wat zijn geboortedatum is. De moeder van eiser is overleden. Eiser woonde samen met zijn zieke vader bij zijn oom. Eiser hielp zijn oom op het land. Eiser heeft verklaard dat zijn oom hem mishandelde en sloeg. De oom van eiser wilde hem vermoorden om zo het landgoed te krijgen dat eiser via zijn vader zou erven. Er zijn twee incidenten geweest waarbij eisers oom heeft geprobeerd eiser te vermoorden met een zwaard. Na het eerste incident is eiser niet weggegaan, omdat hij bij zijn vader wilde blijven. Na het tweede incident is eiser gevlucht uit angst voor zijn oom. Bij terugkeer naar Benin vreest eiser vermoord te worden door zijn oom. Daarnaast heeft eiser problemen gehad met buurtbewoners uit het dorp vanwege een incident waarbij hun koeien overleden waren. Deze buurtbewoners hebben eiser bedreigd en aangevallen. Eiser is dus ook bang om door hen vermoord te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met de oom van eiser vanwege landbouwgrond;
- problemen met buurtbewoners vanwege het overlijden van hun koeien.
De minister vindt alle relevante elementen geloofwaardig, maar de geloofwaardig geachte asielmotieven zijn niet zwaarwegend genoeg om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Benin een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens de minister heeft eiser daarom geen recht op een verblijfsvergunning asiel en voldoet hij niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’ers).
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Benin heeft te vrezen vanwege de problemen met de oom en de buurtbewoners?
Twee incidenten en littekens oom
5. Eiser voert aan dat de littekens die hij heeft opgelopen de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt in Benin onderbouwen en daarmee de problemen met zijn oom aannemelijk maken. Eiser betoogt dat de minister aan deze littekens ten onrechte geen waarde heeft toegekend in het bestreden besluit. Ook zijn deze littekens ten onrechte in het medisch advies ontkend. Verder voert eiser aan dat zijn oom tijdens het eerste incident werd aangesproken door andere landbouwers, wat ervoor zorgde dat hij niet op het land werd vermoord. Daarnaast voert eiser aan dat op zijn hals duidelijk zichtbare littekens te zien zijn die volgens hem het gevolg zijn van de tweede poging van zijn oom om hem te vermoorden. Eiser betoogt dat hij als erfgenaam een bedreiging vormt voor zijn oom, omdat hij weigert het landgoed van de vader van eiser op te geven. Eiser betoogt verder dat hij tot op heden een potentiële bedreiging voor zijn oom vormt, waardoor hij nog steeds als doelwit wordt beschouwd. Ter verder onderbouwing heeft eiser verwezen naar een aantal artikelen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Benin heeft te vrezen vanwege de problemen met zijn oom. In dat verband stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de foto’s van de littekens niets zeggen over hoe en wanneer deze littekens zijn ontstaan en of er eventueel iemand verantwoordelijk is voor het ontstaan van deze littekens. Eiser heeft immers geen medisch steunbewijs overgelegd ter onderbouwing van het causaal verband tussen de littekens en de gestelde wijze van het ontstaan daarvan. Ten aanzien het eerste incident stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser weliswaar is mishandeld door zijn oom, maar dat de reden daarvoor is gelegen in het feit dat zijn oom dit deed als hij vond dat eiser niet hard werkte, aldus de verklaring van eiser. Te meer, nu eiser heeft verklaard bij zijn oom te zijn gebleven en hij geen verdere stappen jegens eiser heeft ondernomen. Ten aanzien van het tweede incident stelt de minister zicht terecht op het standpunt dat dit ziet op een situatie dat de oom van eiser boos op hem was omdat hij hem verantwoordelijk hield voor het grazen van de koeien in het gewas. Met deze twee incidenten heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat zijn oom hem daadwerkelijk wilde vermoorden om landbouwgrond te verkrijgen. De minister stelt verder terecht dat de overgelegde artikelen het voorgaande niet anders maken. Deze artikelen beschrijven – kort samengevat –dat het gewoonterecht in de plattelandscontext in de praktijk blijft voortbestaan, dat de lokale praktijk bepaalt wie feitelijk de grond beheert, dat dorpshoofden of familieleden het feitelijk gezag uitoefenen over kinderen en nalatenschappen en dat minderjarige erfgenamen vaak de controle over het grondgebied verliezen en een juridisch zwakke positie hebben. De minister stelt zicht dan ook terecht op het standpunt dat niet wordt ingezien dat eiser nog doelwit zou zijn van zijn oom, nu zijn oom sinds eisers vertrek – en gelet op de overgelegde artikelen – vrij baan heeft om de landbouwgrond te verkrijgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beschermingsmogelijkheden in Benin
6. Eiser voert aan dat de minister niet het juiste referentiekader in acht heeft genomen bij de beoordeling van de beschermingsmogelijkheden in Benin. Zo was eiser 14 jaar oud en volledig verstoken van kennis over de beschermingsmogelijkheden van de Beninese autoriteiten. Daarom kan en mag van eiser niet verwacht worden dat hij zich tot de Beninese autoriteiten wendt. Ook kon eiser zich niet wenden tot zijn opa, die net als hem bang is voor de oom van eiser. Eiser voert verder aan dat de minister geen blijk heeft gegeven van kennis van de Beninese cultuur. In deze cultuur mogen jongeren ouderen niet tegenspreken, laat staan dat zij zich beklagen over deze ouderen bij de autoriteiten.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat in het algemeen de Beninese autoriteiten bescherming bieden, zoals blijkt uit de website van de DGPR, wat voortkomt uit de Beninese grondwet en verdere wetgeving. Dat eiser hiervan geen gebruik heeft gemaakt betekent niet dat die bescherming er niet is. Voor zover eiser met de verwijzing naar bepaalde artikelen wil betogen dat hij geen bescherming kan inroepen, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze bronnen enkel ingaan op mogelijke juridische bescherming. Daarmee heeft eiser het standpunt van de minister dat hij persoonlijke bescherming kan krijgen, niet gemotiveerd betwist. Zo stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser met behulp van zijn opa ook hulp van de Beninese autoriteiten kan krijgen. De enkele stelling dat zijn opa bang was voor de oom van eiser, is onvoldoende onderbouwd, te meer nu eiser heeft verklaard dat zijn oom een imam is met veel aanzien en iemand waar hij vaker naartoe vluchtte. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Problemen buurtbewoners vanwege dood koeien
7. Eiser voert verder aan dat het tegenstrijdig is dat de minister geloofwaardig acht dat hij problemen met de buurtbewoners had vanwege de dood van de koeien, maar dat volgens de minister de buurtbewoners eiser daarvoor niet medeverantwoordelijk hielden. Eiser betoogt dat de buurtbewoners expliciet hebben aangegeven dat zij eiser en zijn oom om die reden wilden vermoorden.
7.1.
Zoals onder 4 overwogen heeft de minister geloofwaardig geacht dat er problemen waren met de buurtbewoners over de dood van de koeien. De minister stelt zich daarentegen terecht op het standpunt dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt vanwege deze buurtbewoners. Daartoe acht de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht van belang dat de bedreiging door de buurtbewoners werden uitgesproken naar de oom van eiser en dat er geen enkele indicatie is dat er verdere opvolging is geweest richting eiser of zijn oom als hoofdverantwoordelijke. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard niet te weten of deze buurtbewoners nog op zoek zijn naar hem. [1] Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Had eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid moeten krijgen?
8. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte een vergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’ers onthoudt. Eiser betoogt dat in Benin en met name in Djougou niet kan worden aangenomen dat daadwerkelijk duurzame en veilige opvang bestaat voor amv’ers. Ter onderbouwing daarvan verwijst eiser naar een artikel genaamd ‘Benin Factsheet - opvangmogelijkheden minderjarigen in land van herkomst’ van augustus 2025. Eiser betoogt dat de minister moet aantonen welke concrete opvangmogelijkheid er voor hem is bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Omdat de minister dat niet heeft gedaan, is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
8.1.
Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
8.2.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij geen vergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor minderjarige vreemdelingen aan eiser had moeten verlenen. In de eerste plaats mocht de minister zich op het standpunt stellen dat nader onderzoek aangewezen was. Tijdens de asielprocedure heeft onderzoek plaatsgevonden door het afnemen van het aanmeldgehoor en het nader gehoor. De minister heeft kunnen stellen dat niet duidelijk is of de vader en opa van eiser nog in leven zijn en waar zij zich zouden bevinden. Ook is niet duidelijk of er andere familieleden zijn die eiser opvang zouden kunnen bieden. Verder heeft de minister kunnen stellen dat onderzoek moet worden gedaan naar opvangvoorzieningen in Benin. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat met de informatie uit de verklaringen van eiser nog geen duidelijke conclusie kon worden getrokken over de aanwezigheid van adequate opvang in Benin. De minister heeft aangegeven dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) verder onderzoek zal doen en dat dit onderzoek maximaal een jaar zal duren, gerekend vanaf de datum van het asielbesluit. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee heeft toegelicht waarom het onderzoek naar adequate opvang nog niet is afgerond, wat de huidige stand van zaken is, en hoe lang het onderzoek (maximaal) nog zou duren. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat de minister een expliciete opvanglocatie moet benoemen. Het is immers aan de DT&V om het onderzoek naar adequate opvang te verrichten. Pas op het moment dat dit onderzoek is afgerond zal worden beslist of eiser al dan niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. De verwijzing naar bovengenoemd artikel maakt het voorgaande niet anders, nu het onderzoek nog niet is afgerond. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Nader gehoor, p. 15.