Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9062

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
NL26.9330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag na Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser diende op 1 augustus 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit het Eurodac-systeem bleek dat hij Europa via Italië was binnengekomen, waarna de minister Italië om informatie verzocht. De Italiaanse autoriteiten reageerden niet, en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet langer geldt vanwege het ontbreken van opvangfaciliteiten.

De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn van zes maanden voor de minister begon te lopen op 1 augustus 2025 en uiterlijk op 1 februari 2026 had moeten besluiten. De minister had echter nog niet beslist, ondanks een tijdige ingebrekestelling door eiser op 3 februari 2026. Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing werd daarom ontvankelijk en gegrond verklaard.

De rechtbank legde de minister een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. Tevens werd bepaald dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467 aan eiser.

De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming en het respecteren van de rechten van asielzoekers, zeker in het licht van gewijzigde omstandigheden rond de Dublinverordening en het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en stelt een nadere beslistermijn met verplicht gehoor vast.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9330
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Hassan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?

3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Eiser heeft op 1 augustus 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op
10 oktober 2025 bleek uit het Eurodac-systeem dat eiser Europa via Italië is ingereisd. De minister heeft Italië daarom op 28 januari 2026 verzocht om informatie over eiser aan te leveren.6 De Italiaanse autoriteiten hebben tot op heden niet op dit verzoek gereageerd.
5. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.7 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.
6. Vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiser niet mogelijk was, is de minister verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat dit voor de minister in ieder geval duidelijk was na de uitspraak van de ABRvS van 26 april 2023. Dat betekent dat de beslistermijn is aangevangen op 1 augustus 2025 en dat de minister in beginsel uiterlijk op 1 februari 2026 op de aanvraag had moeten beslissen.
7. De minister heeft nog niet beslist op de aanvraag. Eiser heeft de minister op
3 februari 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
8. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.8 In deze zaak is dit aan de orde.
9. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
6 Artikel 34 van Pro de Dublinverordening.
7 ECLI:NL:RVS:2023:1654, r.o. 4.3.3.
8 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zestien weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.