Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam 1] , verzoekster,
[kind1] en [kind2],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft op 28 september 2022 voor de tweede maal een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 2 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 14 januari 2026, waarna de behandeling op verzoek van de minister werd aangehouden. Op 12 maart 2026 werd de behandeling voortgezet, waarbij verzoekster en haar gemachtigde niet verschenen.
Bij uitspraak van dezelfde dag in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.43311) is het beroep inhoudelijk behandeld, waardoor een voorlopige voorziening niet langer nodig was. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af.
De voorzieningenrechter bepaalde tevens dat verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding van €1.868,00, te betalen door de minister, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de verrichte proceshandelingen door de gemachtigde.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.