Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9080

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
SGR 24/7346
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 ZWArt. 20 ZWArt. 46 ZWArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Ziektewetuitkering wegens niet-verzekerd zijn op eerste ziektedag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar geen Ziektewetuitkering toe te kennen. Zij stelde dat zij zich per 3 maart 2024 ziek wilde melden, maar per abuis 13 mei 2024 als eerste ziektedag had ingevuld. Tevens voerde zij aan dat ten onrechte geen hoorzitting was gehouden.

De rechtbank oordeelt dat eiseres op de eerste ziektedag, 13 mei 2024, geen WW-uitkering meer ontving en dat deze datum meer dan vier weken na het einde van haar WW-uitkering lag. Hierdoor was zij niet verzekerd voor de Ziektewet en kon het UWV de uitkering terecht weigeren. De rechtbank achtte geen aanleiding om de opgegeven datum anders te interpreteren of nader contact te zoeken.

Ook het verzoek om een hoorzitting faalde, omdat eiseres niet had gereageerd op het verzoek van het UWV om aan te geven of zij een hoorzitting wenste. De aanvullende stukken over haar psychische klachten sinds januari 2024 konden het oordeel niet wijzigen. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiseres op de eerste ziektedag niet verzekerd was.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7346

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv)¸

verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de weigering van het Uwv om aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert aan dat zij zich per 3 maart 2024 ziek wilde melden en per abuis 13 mei 2024 heeft ingevuld als eerste ziektedag. Ze vindt ook dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Aan de hand van wat eiseres in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht heeft geweigerd om aan eisers een ZW-uitkering toe te kennen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres kreeg een WW-uitkering toegekend tot en met 20 februari 2024. Op 14 mei 2024 heeft eiseres zich ziekgemeld per 13 mei 2024. Met het primaire besluit van 15 mei 2024 heeft het Uwv geweigerd aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen.
2.1.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 24 juli 2024 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Verzoek aanhouding

3. Ter zitting heeft eiseres gevraagd te wachten met het doen van uitspraak totdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitspraak heeft gedaan op een hoger beroep dat zij heeft ingesteld tegen een eerdere afwijzing van een WIA-aanvraag. Dat verzoek wijst de rechtbank af, omdat de uitkomst van dat hoger beroep niet rechtstreeks van belang is voor de nu voorliggende procedure.

Standpunt eiseres

4. Eiseres voert in het beroepschrift aan dat zij op het aanvraagformulier voor de ZW-uitkering 3 mei 2024 als eerste ziektedag heeft willen vermelden, maar per abuis 13 mei 2024 heeft ingevuld. In het aanvullend beroepschrift heeft zij verduidelijkt dat haar eerste ziektedag 3 maart 2024 was. Het Uwv had die dag dan ook als eerste ziektedag moeten aanhouden. Eiseres voert verder aan dat het Uwv ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden terwijl zij wel bij het maken van bezwaar heeft verzocht om een hoorzitting. Zij heeft daarnaast in beroep aanvullende stukken ingediend om te onderbouwen dat zij sinds januari 2024 kampt met klachten.

Standpunt verweerder

5. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat aan eiseres geen ZW-uitkering kon worden toegekend, omdat eiseres op de dag voorafgaande aan de ziekmelding geen WW-uitkering ontving, en de WW-uitkering ook niet minder dan vier weken voor de eerste ziektedag was geëindigd. Eiseres was op de eerste ziektedag daarom niet verzekerd voor de ZW. Verder stelt het Uwv dat tijdens de bezwaarprocedure eiseres is verzocht de gronden van het bezwaar aan te vullen, en daarbij ook te laten weten of ze een hoorzitting wilde. Hierop is geen reactie ontvangen door het Uwv, waarna de beslissing op bezwaar van 24 juli 2024 zonder hoorzitting is verstuurd. Indien er wel een hoorzitting was gehouden, was de beslissing niet anders geweest, aldus het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft het Uwv terecht geweigerd aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen?
6. De rechtbank moet beoordelen of het terecht is dat het Uwv geweigerd heeft aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen.
6.1.
Artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW regelt dat degene die een WW-uitkering ontvangt werknemer is in de zin van de ZW. Artikel 20 van Pro die wet bepaalt dat degene die werknemer is verzekerd is. Hierdoor kan de werkloze die ziek wordt in beginsel in aanmerking komen voor ziekengeld. Verder volgt uit artikel 46, eerste lid, van de ZW kort gezegd dat ook degene die binnen vier weken na het einde van haar of zijn WW-uitkering ziek wordt recht heeft op ziekengeld. Eiseres heeft voorafgaand aan haar ziekmelding een WW-uitkering toegekend gekregen tot en met 20 februari 2024. Zij heeft zich op 14 mei 2024 ziekgemeld per 13 mei 2024 middels een aanvraagformulier voor een ZW-uitkering. Op 13 mei 2024 had eiseres geen werkgever en ontving zij ook geen WW-uitkering meer. Bovendien ligt 13 mei 2024 meer dan vier weken na 20 februari 2024. Eiseres kon daarom geen aanspraak maken op een ZW-uitkering.
6.2.
Er was voor het Uwv, anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd, geen aanleiding om de aanvraag van eiseres anders op te vatten en met eiseres contact op te nemen over de datum van ziekmelding. De datum van ziekmelding is ondubbelzinnig en kan niet op een andere manier worden geïnterpreteerd. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv aanleiding had te twijfelen aan de juistheid van de datum van de eerste ziektedag die eiseres had opgegeven. De verwijzing door eiseres naar de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak kwam de CRvB tot het oordeel dat het verzoek dat de appellant in die zaak had gedaan om een besluit tot afwijzing van een Wajong-aanvraag te herzien door het Uwv naar de strekking had moeten worden opgevat, en in dat geval mede als een zogenoemde Amber-aanvraag had moeten worden beoordeeld. In het nu voorliggende geval gaat het echter niet om een medisch inhoudelijke beoordeling, maar alleen om de vraag of eiseres verzekerd was volgens de ZW of niet. Omdat uit de door haar opgegeven eerste ziektedag volgde dat zij niet meer verzekerd was en het Uwv geen reden had aan de opgegeven datum te twijfelen, heeft het Uwv de aanvraag terecht afgewezen. Voor zover eiseres betoogt dat de aanvraag als Amber-aanvraag had moeten worden opgevat, slaagt dat betoog evenmin, omdat het hier zoals gezegd ging om een aanvraag op grond van de ZW, en uit de strekking van die aanvraag niet kon worden afgeleid dat eiseres bedoelde een Amber-aanvraag te doen.
6.3.
Uit de aanvullende stukken die eiseres in beroep naar voren heeft gebracht blijkt dat eiseres sinds januari 2024 in behandeling is bij een psycholoog voor de psychische klachten waarmee zij kampt. Hoewel zij in die periode nog een WW-uitkering ontving, heeft eiseres zich pas ziekgemeld nadat haar WW-uitkering was beëindigd. Zij kwam daarom niet in aanmerking voor een ZW-uitkering. De aanvullende stukken kunnen dan ook niet leiden tot een ander oordeel.
6.4.
De beroepsgrond van eiseres dat er ten onrechte geen hoorzitting is gehouden, slaagt evenmin. Eiseres heeft op 23 mei 2024 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op 28 mei 2024 heeft het Uwv eiseres verzocht om de gronden van haar bezwaar aan te vullen voor 25 juni 2024. Eiseres wordt gevraagd om dan ook te laten weten of zij een hoorzitting wil. Indien zij niet reageert, wordt de procedure voortgezet op basis van het bezwaar dat zij heeft ingediend, aldus de brief van 28 mei 2024. Uit de stukken is niet gebleken dat eiseres heeft aangegeven dat zij graag een hoorzitting wil. Het Uwv heeft er dan ook, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht van mogen afzien een hoorzitting te houden, nu eiseres niet heeft gereageerd op het verzoek van het Uwv.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.