7.3Het oordeel van de rechtbank
ABN AMRO N.V. en [naam 10]
De rechtbank zal de benadeelde partijen ABN AMRO en [naam 10] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat aan deze benadeelde partijen niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten.
[naam 1]
De vordering, voor zover die betrekking heeft op de post cash geld (€ 600,-) is door de benadeelde partij voldoende (met stukken) onderbouwd en de verdachte heeft erkend dat hij € 600,- van de benadeelde heeft meegenomen. Daarom kan vastgesteld worden dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover die ziet op de post ‘opgenomen geld van bankrekening’ (€ 406,18). Dit bedrag is al vergoed door de bank, zo blijkt ook uit het door de benadeelde partij ingevulde schadeformulier.
De rechtbank zal de vordering van [naam 1] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 600,-, bestaand uit materiële schade en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
[naam 1] – Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
ING Bank N.V. - Onevenredige belasting van het strafproces
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de behandeling van de vordering van ING Bank een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en daarom niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De ING Bank heeft eerst op 30 april 2025 en daarna opnieuw op 22 december 2025 een vordering ingediend. Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank er vanuit dat de tweede vordering de eerste vervangt. De officier van justitie en de raadsvrouw hebben eerst op de zitting en na heropening van het onderzoek schriftelijk de gelegenheid gehad om op de vorderingen te reageren. De behandeling van de vordering is daarmee geen onevenredige belasting van het strafproces.
ING Bank N.V. - Inhoudelijke behandeling
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘coulancevergoedingen 5 ING-slachtoffers’ (€ 4.046,18) is door de verdediging niet voldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en de door ING Bank aangevoerde stukken kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1, 2, 3, 4, en 6 ten laste gelegde feiten. De ING Bank heeft namelijk de door de verdachte en zijn medeverdachte(n) gestolen bedragen aan zijn klanten vergoed.
De vordering, voor zover deze ziet op de post ‘onderzoekskosten’ is door de verdediging niet voldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Onder de rechtstreekse schade van ING Bank kan namelijk ook worden verstaan de kosten die zijn gemaakt om de strafbare feiten aan het licht te brengen. In de berekening van de onderzoekskosten is de ING Bank uitgegaan van 6 dossiers, waar de rechtbank uitgaat van 5 dossiers (de slachtoffers van feiten 1, 2, 3, 4 en 6). De rechtbank volgt daarom het standpunt van de raadsvrouw en zal de onderzoekskosten naar rato verminderen en komt uit op onderzoekskosten van € 780,- (zijnde 5/6 deel van € 936,- aan onderzoekskosten). De rechtbank zal de ING Bank voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank zal de vordering van ING Bank N.V. dan ook toewijzen tot een bedrag van € 4.826,18 bestaand uit materiële schade en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
ING Bank N.V.- Wettelijke rente
De schade van ING Bank is ontstaan op verschillende data. De coulancebetalingen aan de benadeelden hebben plaatsgevonden in de periode van 13 december 2024 tot 28 februari 2025. Het is aannemelijk dat ook de onderzoekskosten in die periode zijn gemaakt. De rechtbank zal daarom de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 januari 2025, in het midden van die periode, omdat de schade (gemiddeld genomen) op die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vorderingen gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen ( [naam 1] en ING Bank) tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een (van de) mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partijen ( [naam 1] en ING Bank) heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. De rechtbank gaat hierbij voorbij aan het standpunt van de raadvrouw dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard op grond van 6:166 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de billijkheid vraagt om een andere verdeling van de schadevergoeding (dan een verdeling in gelijke delen onder de mededaders).
[naam 1] - Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 1] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
ING Bank N.V. - Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen omdat van een rechtspersoon verwacht mag worden dat zij zelf hun vorderingen incasseren. Op grond van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering wordt een rechtspersoon (zoals de bank) met het slachtoffer gelijk gesteld. Ook een bank wordt, als de schadevergoedingsmaatregel niet zou worden opgelegd, belast met problemen rondom het innen van de schadevergoeding bij de veroordeelde. De ING Bank omschrijft ook zelf dat het incasseren van zulke vorderingen niet behoort tot de dagelijkse bedrijfsvoering en dat de bank daarvoor extra kosten zal moeten maken. De rechtbank zal daarom ook ten behoeve van ING Bank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Nu de verdachte ten opzichte van ING Bank naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag € 4.826,18, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van ING Bank. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.