Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
NL25.44592
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens ontbreken besluit in zaak bevriezingsmaatregel vreemdeling

Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, stelde beroep in tegen een brief van de minister waarin werd meegedeeld dat de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 eindigt en dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten. De rechtbank stelde vast dat eiser geen beroep had ingesteld tegen eerdere terugkeerbesluiten, die daardoor onherroepelijk zijn geworden.

De brief van de minister werd beoordeeld en de rechtbank oordeelde dat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat er geen nieuwe rechtsgevolgen aan verbonden zijn. De gevolgen van het beëindigen van de bevriezingsmaatregel vloeien voort uit eerdere besluiten die al onherroepelijk zijn.

Eisers verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak werd verworpen omdat hij geen beroep had ingesteld tegen de terugkeerbesluiten. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en ging niet inhoudelijk op de zaak in.

De rechtbank wees ook op het feit dat eiser over een verblijfsvergunning in Spanje beschikt, maar kon dit niet betrekken bij de beoordeling. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en de uitspraak werd openbaar gemaakt op 14 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de informerende brief en wijst het beroep af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44592

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Procesverloop

1. Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister eiser laten weten dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025 en dat hij Nederland binnen 4 weken moet verlaten. In deze brief is verder uitgelegd wat dit voor eiser betekent.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van de minister van 15 juli 2025.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het aan deze procedure verbonden verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingediend tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag van 31 mei 2023 en de jegens hem genomen terugkeerbesluiten van 23 augustus 2023 en 21 februari 2024. Deze besluiten staan daarom in rechte vast.
3. In de brief waarin de minister de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 beëindigt [1] , is opgenomen dat de groep derdelanders die geen beroep hebben ingesteld tegen de terugkeerbesluiten, geen nieuwe terugkeerbesluiten zullen ontvangen. Nu eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de onder rechtsoverweging 2 genoemde besluiten, valt eiser onder deze groep. Uit de brief volgt ook dat deze groep per brief geïnformeerd wordt over de gevolgen van het eindigen van de bevriezingsmaatregel. Deze gevolgen zijn onder meer dat personen die tot deze groep behoren vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd hebben om Nederland zelfstandig te verlaten. Gedurende deze tijd bestaat er nog recht op opvang en (gemeentelijke) voorzieningen, maar mag de derdelander niet meer werken.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 15 september 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat hierin geen rechtsgevolgen zijn gelegen. [2] De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is immers al per 4 maart 2024 geëindigd. Thans is de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 geëindigd, maar hierin ligt gelet op het voorgaande geen op rechtsgevolg gerichte beslissing. Het rechtsgevolg vloeit immers al voort uit de beëindiging per 4 maart 2024. Ook in de mededeling dat eiser moet terugkeren is geen rechtsgevolg gelegen, omdat dat al volgt uit het in rechte vaststaande terugkeerbesluit dat eerder aan eiser is opgelegd.
3.2.
Eisers verwijzing naar de uitspraak van 23 april 2025 van de Afdeling [3] treft geen doel, omdat eiser tegen de jegens hem genomen terugkeerbesluiten geen beroep heeft ingesteld waardoor deze besluiten onherroepelijk zijn geworden. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat uit de genoemde Afdelingsuitspraak de onrechtmatigheid van de terugkeerbesluiten jegens eiser volgt en dat de terugkeerbesluiten daarom niet langer zouden bestaan.
3.3.
Nu de brief van 15 september 2025 geen rechtsgevolgen teweeg brengt, is er geen sprake van een besluit als bedoeld in 8:1 in samenhang met artikel 1:3. eerste lid, van de Awb. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
3.4.
De rechtbank overweegt tot slot dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft meegedeeld dat eiser over een verblijfsvergunning in Spanje beschikt. Nu de rechtbank ex tunc toetst en onbevoegd is om van het onderhavige beroep kennis te nemen, bestaat in deze procedure geen mogelijkheid om hierop in te gaan.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 19 637, nr. 3434.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.