ECLI:NL:RBDHA:2026:911

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/16083
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht in asielzaak

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak tussen eiseres en de minister van Asiel en Migratie. Eiseres had op 7 juli 2025 een verzoek ingediend voor tijdelijke bescherming, maar dit verzoek werd door de minister buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld, maar de rechtbank heeft op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting.

De rechtbank overweegt dat volgens artikel 8:41, eerste lid, van de Awb iedereen die beroep instelt, griffierecht moet betalen. De griffier had eiseres op 20 september 2025 een nota gestuurd met de mededeling dat het griffierecht binnen vier weken betaald moest worden. Eiseres heeft echter het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald.

Op 20 oktober 2025 ontving eiseres een herinnering tot betaling, maar ook deze termijn is verstreken zonder dat het griffierecht is voldaan. De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen verschoonbare reden heeft gegeven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. Hierdoor wordt het bestreden besluit van de minister in stand gelaten en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/16083

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

[V-nummer] ,
( [gemachtigde] ),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG buiten behandeling gesteld. [1]
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.
2. De griffier heeft op 20 september 2025 een nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van eiseres, waarmee eiseres in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief te betalen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.
3. Bij aangetekende brief van 20 oktober 2025 is aan eiseres een herinnering tot betaling van het griffierecht verstuurd. Hiermee is eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het griffierecht te betalen.
4. Het griffierecht is niet binnen de voornoemde termijn ontvangen door de rechtbank. Eiseres heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:5, eerste lid en onder a en c, van de Alegemene wet bestuursrecht (Awb).