Eisers hebben een opvolgend beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. In een eerdere procedure had de rechtbank de minister al opgedragen vóór 30 mei 2025 een beslissing te nemen, maar deze verplichting is niet nagekomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ontvankelijk en gegrond is. Hoewel het dossier mogelijk nog niet compleet is, acht de rechtbank de termijn van acht weken voor besluitvorming niet passend gezien de eerdere opgelegde termijn en het tijdsverloop. Daarom wordt de minister opgedragen binnen vier weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op €233,50 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.