Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders, belast met gezag, de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen. Verweerder heeft in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de kleinkinderen met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster waarbij, wederom, van belang is dat zij zelfredzaam is.