ECLI:NL:RBDHA:2026:9134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
26_1714
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet maatschappelijke opvang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens onvoldoende veiligheidsrisico

Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, welke is afgewezen. Zij maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang omdat verzoekster slechts tijdelijk in de opvang kan verblijven en anders op straat dreigt te komen te staan. Verzoekster gaf aan zich niet veilig te voelen in haar laatste woonplaats vanwege bedreigingen van haar ex-man, maar kon dit niet met stukken onderbouwen.

Verweerder stelde dat verzoekster zich dient te melden bij haar oorspronkelijke gemeente, waar zij al bekend is bij diverse instanties en waar opvang en ondersteuning worden aangeboden. De voorzieningenrechter vond dat de kans op slagen van een traject maatschappelijke opvang groter is in die gemeente dan in Den Haag.

Gelet op het ontbreken van bewijs voor een actueel veiligheidsrisico en de geboden ondersteuning in de oorspronkelijke gemeente, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van veiligheidsrisico en betere opvangmogelijkheden in de oorspronkelijke gemeente.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1714

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Ameziane).

Procesverloop

Met het primaire besluit van 26 februari 2026 heeft verweerder de aanvraag om de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang afgewezen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.
De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, nu verzoekster slechts tijdelijk in de opvang kan verblijven en op straat dreigt te komen te staan als zij de opvang moet verlaten.
3. Op 23 februari 2026 heeft verzoekster zich gemeld bij het daklozenloket van verweerder met het verzoek in aanmerking te komen voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang.
4. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en zich op het standpunt gesteld dat verzoekster zich dient te melden bij de [gemeente]. Uit onderzoek is volgens verweerder gebleken dat verzoekster sinds 4 november 2024 staat ingeschreven bij de [gemeente], dat verzoekster in die gemeente een bijstandsuitkering ontving, dat zij bekend is bij verschillende instanties waaronder het wijkteam en dat deze gemeente verzoekster al een aanbod tot opvang heeft gedaan. Voorts is niet gebleken dat er op dit moment een actuele veiligheidsrisico is in die gemeente. Verzoeksters ex-partner is naar een andere gemeente in het zuiden van het land verhuisd en staat daar ook sinds 13 februari 2026 ingeschreven. De laatste melding bij Veilig Thuis dateert van ruim een jaar geleden en de door verzoekster genoemde bedreigingen zijn op dit moment niet verifieerbaar.
5. Verzoekster voert in haar verzoekschrift aan dat zij zich in haar laatste woonplaats, [plaats], niet meer veilig voelt door bedreigingen van haar ex-man. Zij durft niet terug te gaan naar [plaats]. Zij is [plaats] gegaan omdat zij daar haar netwerk heeft. Verzoekster stelt dat zij geen hulp krijgt van de [gemeente]. Deze gemeente beëindigde haar ook bijstandsuitkering, omdat zij daar feitelijk niet meer woont.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift contact heeft opgenomen met de [gemeente]. Daaruit is gebleken dat verzoekster in de [gemeente] al bekend is bij verschillende instanties waaronder het wijkteam en dat deze gemeente eerder al een aanbod tot opvang heeft gedaan, maar dat verzoekster dat heeft geweigerd. Voorts heeft de [gemeente] aangeven ondersteuning te kunnen bieden zodra verzoekster zich bij het inloopspreekuur meldt. Het wijkteam zal dan verzoekster begeleiden bij het ondersteunen bij de daklozenopvang en uitkeringsaanvraag, ondersteunen bij het vinden van huisvesting anders dan daklozenopvang, onderzoeken hoe de terugkeer van haar zoon kan worden geregeld, ondersteunen bij het regelen van schulden, adviseren rondom werk, verwijzen naar het Juridisch Loket voor echtscheiding en indien nodig aanvraag voor bewindvoering.
6.2.
Gelet op hetgeen de [gemeente] aan ondersteuning aanbiedt is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de kans van slagen van een traject in de maatschappelijke opvang groter in [plaats] dan in [plaats]. Dat verzoekster in [plaats] niet veilig is vanwege bedreigingen van haar ex-man is onvoldoende vast komen te staan. Verzoekster heeft geen stukken overgelegd waaruit dat zou blijken. Verweerder heeft dan ook op goede gronden de aanvraag voor maatschappelijke opvang afgewezen
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek gelet op het voorgaande afwijzen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is buiten staat
deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.