Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9141

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL24.17004 en NL24.17007
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8 EVRMArt. 64 VwArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over methadonbehandeling en uitzetting vreemdeling

Eiser, een zestigjarige Algerijnse man met verslavings- en psychische problemen, verzocht om uitstel van vertrek op medische gronden vanwege zijn methadonbehandeling. De minister wees dit af op basis van BMA-adviezen die stelden dat geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten was bij stopzetting van de behandeling.

De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies onvoldoende inzichtelijk en concludent is, omdat het niet het verband tussen methadonbehandeling en psychische problematiek van eiser betrekt, noch de risico’s van stopzetting zoals overdosering, infecties en psychische decompensatie. Ook is niet onderzocht of methadonbehandeling in Algerije beschikbaar is, wat relevant is voor de beoordeling onder het Handvest.

De minister heeft zijn vergewisplicht niet voldoende nageleefd en het besluit is onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.17004 (beroep)
NL24.17007 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1965, van Algerijnse nationaliteit,

eiser/verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. N. Vreede),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).

ProcesverloopEiser heeft op 25 mei 2023 een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 augustus 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 16 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend dat ertoe strekt uitzetting te verbieden tot er op het beroep is beslist.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
1. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van het griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Feiten en besluitvorming
2.1.
Eiser is een zestigjarige man uit Algerije met fysieke problemen en verslavingsproblemen. Hij woont sinds zijn vijfendertigste in Nederland. Hij heeft in 2009, 2010 en 2014 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw en om een verblijfsvergunning op medische gronden. Deze verzoeken zijn niet ingewilligd.
2.2.
De minister heeft de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit gehandhaafd onder verwijzing naar de BMA [3] -adviezen van 1 augustus 2023, 23 oktober 2023 en 23 februari 2024. Uit die adviezen blijkt dat eiser bekend is met een heroïne- cocaïne-, cannabis- en tabaksgebruiksstoornis. Eiser is sinds 2022 in zorg in verband met verslavingsproblematiek en sociaal-maatschappelijke problematiek waarvoor een methadonbehandeling is gestart in combinatie met psychiatrische ondersteuning. Psychiatrisch is er sprake van een sombere stemming met anhedonie [4] . Hij mist zijn familie in Algerije en kan hierdoor heel moeilijk in slaap vallen en doorslapen. Hij krijgt hiervoor ondersteunende gesprekken en 15 mg mirtazapine per dag op voorschrift van de GGD. In het verleden is eiser drie keer geopereerd aan darmfistels [5] en een keer geopereerd aan sinus pilonidalis [6] . De methadon en mirtazapine krijgt hij in het kader van de behandeling door de verslavingsarts. Uitblijven van methadonbehandeling kan leiden tot onthoudingssyndroom met angst- en spanningsklachten, rusteloosheid, prikkelbaarheid en spierpijn in de rug en de benen. Vervolgens ontstaan er meer objectieve klachten als dysforie [7] , misselijkheid, braken, traanogen, loopneus, verwijde pupillen, kippenvel, zweten, diarree, gapen, koorts en slaapklachten. Het onthoudingssyndroom is zelden levensbedreigend, maar moeilijk te doorstaan door het oncomfortabele gevoel. Bij het uitblijven van behandeling wordt geen medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden verwacht, want er is geen sprake van een lichamelijke aandoening met levensbedreigende verschijnselen. Evenmin is er sprake van een psychiatrische aandoening op grond waarvan levensbedreigend handelen verwacht wordt bij het staken van medicatie. Ook is er geen aandoening op grond waarvan ADL [8] -afhankelijkheid dan wel een ernstig verlies van zelfredzaamheid te verwachten. Eiser kan reizen. Aanbevolen wordt dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt. Ook wordt aanbevolen om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen.
Juridisch kader
3. Volgens A3/7.1. van de Vc [9] kan een vreemdeling uitstel krijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vw als er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM Pro [10] om medische redenen. Dat is uitsluitend het geval als uit het BMA-advies blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is of de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, maar gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is. [11] Volgens paragraaf A3/7.1.3. van de Vc verstaat de minister onder een medische noodsituatie: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
Is het BMA-advies inzichtelijk en concludent?
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [12] moet de minister zich er, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb [13] van vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. [14] Als het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit al daarom in rechte geen stand kunnen houden.
Over het verschil in de conclusies van het BMA met een vergelijkbare zaak
4.2.
Eiser voert aan dat de conclusie van het BMA in zijn zaak onbegrijpelijk is, omdat in een vergelijkbare zaak wel een medische noodsituatie op korte termijn is aangenomen bij het staken van de methadonbehandeling. De reactie van het BMA in de aanvullende nota van 23 februari 2024 waarin staat dat in die zaak een onjuiste medische inschatting was gemaakt, vindt eiser niet afdoende nu in beide zaken een nagenoeg vergelijkbare brief van de GGD is overgelegd ter onderbouwing van de medische problematiek bij het uitblijven van de behandeling met methadon. Onduidelijk blijft waarom de medische inschatting in die andere zaak onjuist was. De minister mocht niet zonder meer van die conclusie van het BMA uitgaan.
4.3.
De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het BMA-advies wel inzichtelijk en concludent is en dat de minister aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, omdat uit het aanvullende BMA-advies van 23 oktober 2023 duidelijk blijkt waar het verschil in de beoordeling van de medische noodsituatie in de andere zaak op is gebaseerd. Hiermee is duidelijk dat en waarom de eerdere conclusie van het BMA in de andere zaak onjuist was. De minister benadrukt dat er geen verplichting bestaat voor het BMA om tot in detail inzicht te verschaffen in hoe het kan dat er een onjuistheid in het eerdere BMA-rapport is vermeld.
4.4.
In de aanvullende nota van 3 februari 2024 staat dat het BMA nog eens naar beide BMA-adviezen heeft gekeken en dat in de zaak van eiser de conclusie, dat bij het uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht, gehandhaafd kan blijven. In de vergelijkbare zaak waarbij wel een medische noodsituatie bij uitblijven van behandeling is aangenomen, is een onjuiste medische inschatting gemaakt. De zinnen “
In ernstige gevallen kunnen er epileptische insulten optreden. Daarnaast kan er een delirium tremens [15] optreden. Hierbij heeft iemand last van hallucinaties, desoriëntatie en geheugenverlies. Dit kan dodelijk aflopen” zijn ten onrechte opgenomen, nu dit niet de gevolgen van het uitblijven van methadon zijn.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister aan zijn vergewisplicht heeft voldaan door het BMA om een reactie te vragen over het verschil in de conclusies van het BMA met de vergelijkbare zaak. Uit de reactie van het BMA blijkt voldoende duidelijk dat en waarom de eerdere conclusie van het BMA in die andere zaak onjuist was. Het is vaste jurisprudentie dat het BMA als deskundige is aan te merken en dat de minister de informatie die door de arts in het BMA-advies is verstrekt aan het besluit ten grondslag mag leggen en van de juistheid ervan mag uitgaan. [16] Eiser heeft ter weerlegging van de toelichting van het BMA verwezen naar de brieven van de GGD in beide zaken. Daarmee heeft hij niet weerlegd dat de genoemde gevolgen in het BMA-advies van de andere zaak niet zijn toe te schrijven aan het uitblijven van methadon. In zoverre is het advies concludent. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Over bijkomende psychische problemen, risico op terugval in verslaving en sociaal-maatschappelijk teloorgang
5.1.
Eiser voert verder aan dat de conclusie van het BMA dat in zijn geval geen medische noodsituatie te verwachten is bij uitblijven van methadonbehandeling, niet te volgen is. Bij het stopzetten van de methadonbehandeling is het risico op terugval en op algehele teloorgang en daarmee op een medische noodsituatie groot. Dit blijkt uit de brief van de behandelend verslavingsarts [persoon] van de GGD van 23 mei 2023. Daarin benoemt zij ook de gevaren van stopzetting van de methadonbehandeling, namelijk overdosering, infecties zoals hepatitis, psychische decompensatie en algehele teloorgang. In dit verband is van belang dat eiser met psychische problematiek kampt. Dit heeft de minister niet genoemd in zijn motivering van het bestreden besluit en wordt door het BMA ook niet betrokken bij de motivering over de gevolgen van het uitblijven van methadonbehandeling voor de verslaving. De GGD heeft in voornoemde brief over eiser verder opgenomen dat het doel van de methadon behandeling is “cliënt te stabiliseren, waarbij het mogelijk is voor cliënt om op verslavings-, psychiatrisch-, somatisch en sociaalleefgebied te kunnen functioneren”. De methadonbehandeling is ook bedoeld ter voorkoming van het verergeren van zijn psychiatrische problematiek. Dit verband is niet door het BMA onderkend. Eiser verwijst verder naar de bijlage bij de brief van de GGD waarin wordt gewezen op onderzoeken die de effectiviteit van een methadonbehandeling onderschrijven. Ook hieruit blijkt de relatie tussen de methadonbehandeling en psychiatrische problematiek, die niet los van elkaar kunnen worden gezien.
5.2.
De minister stelt zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt dat de psychische problemen van eiser wel degelijk door het BMA bij de beoordeling zijn betrokken, maar dat zij niet zodanig zijn dat op grond daarvan een medische noodsituatie te verwachten is. Wat betreft de verwijzing naar de bijlage van de brief van de GGZ stelt de minister dat, ook als methadonbehandeling in algemene zin effectief is voor het behandelen van psychische problemen, hieruit niet valt af te leiden dat de psychische klachten van eiser bij stopzetten van de behandeling tot een medische noodsituatie zullen leiden. De minister meent dat in het BMA-advies en in het bestreden besluit terecht het gestelde risico op terugval van eiser in zijn verslaving niet betrokken is bij de vraag of een medische noodsituatie wordt verwacht. Daarbij is ook terecht niet betrokken dat volgens eiser zijn verslaving zal leiden tot sociaal-maatschappelijke teloorgang. Dit is immers gebaseerd op de eigen inschatting van de behandelende arts. Onder verwijzing naar het BMA-protocol 2023 [17] stelt de minister dat het BMA zich niet laat leiden door persoonlijke opvattingen van de behandelaar maar zich baseert op feitelijke informatie. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat een eventuele terugval in verslavingsgedrag en sociaal-maatschappelijke teloorgang niet gezien kunnen worden als medische gevolgen van het stopzetten van de behandeling. Dat is afhankelijk van eiser zelf en zijn eigen keuzes. Dit geldt ook voor het gestelde risico op sociaal-maatschappelijke teloorgang. De vraag of eiser in een toestand van sociaal-maatschappelijke teloorgang terecht zal komen, is volgens de minister speculatief.
5.3.
De rechtbank volgt dit standpunt van de minister niet. Niet in geschil is dat de behandelende arts in de brief van 23 mei 2023 een verband heeft gelegd tussen de methadonbehandeling en de psychische problematiek van eiser. Dat verband is door het BMA niet opgenomen in zijn advies. Daarnaast is niet betrokken dat eiser zich in de periode voorafgaande aan de behandeling bij de GGD bevond in een situatie van sociaal-maatschappelijke teloorgang en dat de behandeling nodig is ter behandeling hiervan. In het BMA-advies zijn de door de behandelende arts opgesomde gevolgen van stopzetting van de methadonbehandeling niet betrokken. Het is volgens het BMA-protocol aan het BMA om te beoordelen wat de verwachtingen voor de toekomst zijn bij ontbreken van een behandeling. Anders dan de minister stelt, is het door de behandelende arts gestelde risico op terugval van eiser in zijn verslaving niet (uitsluitend) gebaseerd op zijn persoonlijke opvattingen maar op studies en onderzoeken die de effectiviteit van een methadonbehandeling onderschrijven [18] . Niet alleen sociaal-maatschappelijke teloorgang is in algemene zin het risico bij stopzetting van de methadonbehandeling maar ook overdosering, infecties zoals hepatitis en psychische decompensatie. Dit zijn medische gevolgen van stopzetting van methadonbehandeling die de behandelende arts expliciet heeft benoemd. Gelet op het verleden van eiser en de algemene bronnen die in het GGD-advies zijn genoemd, ligt het in de rede dat het BMA duidelijk maakt waarom het niet verwacht dat bij eiser geen medische noodsituatie zal ontstaan. Een dergelijke motivering ontbreekt. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het BMA-advies niet volledig is en dat de conclusie van het BMA dat geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is, niet inzichtelijk is.
5.4.
Gelet op het voorgaande kon de minister niet zonder nader onderzoek en nadere motivering van het BMA-advies uitgaan. In zoverre is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister een juiste toets verricht aan artikel 8 van Pro het EVRM?
6.1.
Eiser voert aan dat zijn gezondheidstoestand en de zorg die hij wegens zijn ziekte in Nederland ontvangt, samen met alle andere relevante gegevens door de minister in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van eiser op eerbiediging van zijn privéleven eraan in de weg staat dat tegen hem een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. Eiser verwijst in dit verband naar het Cannabis-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2022. [19] Ook voor die beoordeling dient bekend te zijn of er in Algerije methadonbehandeling aanwezig is, nu de ernst van de te verwachten gevolgen bij het uitblijven van die behandeling een risico in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest [20] oplevert. Bij een beoordeling in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM had de minister moeten nagaan of er sprake is van beschermenswaardig privé- of familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en moeten bekijken of uitzetting in strijd is met het laatstgenoemde artikel, door een belangenafweging te maken. Hierin speelt het al dan niet ondergaan van een medische behandeling een rol, maar er moet ook worden gekeken naar de andere banden die door eiser met Nederland zijn opgebouwd. Daarbij moet de minister beoordelen of terugkeer naar Algerije voor eiser een ‘certain degree of hardship’ met zich meebrengt.
6.2.
De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat uit het Cannabis-arrest volgt dat een schending van artikel 8 van Pro het EVRM alleen in uitzonderlijke gevallen wordt aangenomen. Terecht is in het bestreden besluit opgenomen dat van zulke uitzonderlijke gevallen in deze zaak geen sprake is. Van zeer uitzonderlijke banden met Nederland is niet gebleken. De minister benadrukt ook in dit kader dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de zaak die aanleiding gaf tot het Cannabis-arrest. In geval van eiser is er geen sprake van een medische noodsituatie bij het uitblijven van behandeling. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de behandeling die hij nu krijgt voor hem noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat die behandeling voor hem in het land van herkomst niet beschikbaar is. De minister geeft vervolgens een aanvullende motivering van de toets aan artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft privéleven in Nederland. Nu zijn binding met Algerije gelet op alle feiten en omstandigheden sterker is dan die met Nederland en hij in Nederland nooit rechtmatig verblijf heeft gehad, valt de belangenafweging echter in het nadeel van eiser uit.
6.3.
De rechtbank haalt in dit kader de volgende passages aan uit het Cannabis-arrest:
“93. In dit verband moet worden opgemerkt dat de medische behandeling die een derdelander op het grondgebied van een lidstaat geniet, zelfs indien hij daar illegaal verblijft, deel uitmaakt van diens privéleven in de zin van artikel 7 van Pro het Handvest.
(…)
103. Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, alsmede de artikelen 1 en 4, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat: (…) de gezondheidstoestand van deze derdelander en de zorg die hij wegens die ziekte op dat grondgebied ontvangt, door de bevoegde nationale autoriteit samen met alle andere relevante gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven eraan in de weg staat dat jegens hem een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd.”
6.4.
Nu het standpunt van de minister dat stopzetting van methadonbehandeling in het geval van eiser niet tot een medische noodsituatie op korte termijn zal leiden geen stand houdt, kan de minister evenmin gevolgd worden in zijn standpunt dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de zaak die aanleiding gaf tot het Cannabis-arrest. Eiser voert terecht aan dat voor die beoordeling ook relevant is of in Algerije methadonbehandeling aanwezig is, nu de ernst van de te verwachten gevolgen bij het uitblijven van die behandeling een risico in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest oplevert. Of die behandeling aanwezig is, heeft het BMA echter niet onderzocht. Ook in zoverre is het beroep onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

7.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
7.3.
Nu op het beroep is beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.
7.4.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nummer NL24.17004:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL24.17007:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
In beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, mr. P.L.C.M. Ficq en
mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het gaat om de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Bureau Medisch Advisering.
4.Een toestand waarin zaken die gewoonlijk plezier geven, niet meer bevredigen.
5.Een abnormale verbinding die ontstaat tussen de darm en een ander deel van het lichaam.
6.Een haarnetcyste.
7.Sombere grondstemming.
8.Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.
9.Vreemdelingencirculaire 2000.
10.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11.Zie paragraaf A3/7.1.3. van de Vc.
12.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.Algemene wet bestuursrecht.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1268, onder 2.3.
15.Delirium tremens is een ernstige vorm van alcoholontwenning die gekenmerkt wordt door acute verwardheid, beven en hallucinaties, en kan levensbedreigend zijn zonder medische behandeling.
16.Zie bijvoorbeeld van de Afdeling 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4109, onder 4.1.
17.Pagina’s 15 en 16 van het BMA-protocol.
18.Dit is uitvoerig beschreven in de bijlage van de brief van de GGZ.
19.Het arrest van het Hof van 22 november 2022, X (Medicinale Cannabis), C-69/21, EU:C:2022:913.
20.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.