Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9142

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL26.517 en NL26.518
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30b, eerste lid, onder e, f en h, VwArt. 31, zesde lid, onder d, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijk ongegronde verklaringen en late indiening

Eiser, een Bosnische Roma, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, nadat hij mishandeld zou zijn door een crimineel netwerk rondom de ex-partner van zijn zus. Hij stelde dat hij en zijn familie meerdere keren zijn aangevallen en dat hij vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina.

Verweerder achtte de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar verwierp de gestelde problemen met de criminele ex-partner als onvoldoende aannemelijk. Verweerder wees op tegenstrijdigheden in het relaas, het ontbreken van ondersteunende documenten, en het feit dat eiser zijn asielaanvraag pas maanden na vertrek uit zijn land indiende.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de verklaringen terecht als kennelijk vals en onvoldoende onderbouwd heeft beoordeeld. De late indiening van de asielaanvraag zonder goede reden en het ontbreken van bewijsstukken versterkten dit oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.517 (beroep)
NL26.518 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1986, van Bosnische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tevens om een voorlopige voorziening verzocht, ertoe strekkende dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard [eiser] te zijn, geboren op [geboortedag] 1986. Hij heeft verklaard dat hij de Bosnische nationaliteit heeft en tot de Roma bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft verklaard dat zijn zus ongeveer anderhalf jaar geleden een relatie kreeg met [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ). Dit is een bekende crimineel. Zijn zus werd door hem geslagen. Toen eiser hier achter kwam wilde hij haar beschermen, met als gevolg dat hij zelf ook werd mishandeld door [persoon 1] . Eiser en zijn familie hebben meerdere aangiftes tegen hem gedaan. [persoon 1] is een keer aangehouden maar eiser en zijn familie werden daarna nog steeds lastiggevallen. Eiser heeft verklaard dat hij ook meerdere keren is mishandeld door de politie nadat hij aangifte deed tegen [persoon 1] . Eiser is zwaar mishandeld door vrienden van [persoon 1] bij een tankstation. Hierna heeft hij besloten om zijn land van herkomst te verlaten. Hoewel [persoon 1] volgens de verklaringen van eiser niet meer in Bosnië-Herzegovina is, vreest hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst voor de vrienden van [persoon 1] .
Besluitvorming
4. Verweerder heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met [persoon 1] .
4.1.
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De gestelde problemen met [persoon 1] worden door verweerder echter niet geloofwaardig geacht.
4.2.
Verweerder beoordeelt de gestelde problemen met [persoon 1] als volgt. Verweerder stelt allereerst dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Uit openbare bronnen blijkt namelijk dat [persoon 2] (deze man staat ook bekend als [persoon 1] ) in 2022 is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens betrokkenheid bij mensenhandel. Eiser heeft volgens verweerder tegenstrijdig verklaard over het moment waarop zijn problemen met [persoon 1] ontstonden. Verder is het ongerijmd dat eiser niet weet wat er is gebeurd na de aanhouding van [persoon 1] en dat zijn zus, die door [persoon 1] is mishandeld, Bosnië-Herzegovina niet heeft verlaten naar aanleiding van de problemen. Ook heeft eiser ongerijmd verklaard over het handelen van de politie. Ten slotte heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor geen goede verklaring. Eiser heeft zijn land van herkomst in maart 2025 verlaten en heeft pas op 12 december 2025 asiel aangevraagd toen hij staande werd gehouden door de politie en in bewaring is gesteld. Eiser voldoet hiermee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw [2] .
4.3.
De aanvraag is kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en h, van de Vw. Aan eiser is op 25 september 2025 al een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Deze zijn nog steeds geldig.
Bespreking van de beroepsgronden
Heeft verweerder de gestelde problemen met [persoon 1] ten onrechte niet ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser is van mening dat verweerder het standpunt dat zijn problemen met [persoon 1] en de tot diens crimineel netwerk behorende (familie)leden niet geloofwaardig is, onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. Verweerder gaat in het bestreden besluit ten onrechte niet in op de stellingen van eiser in de zienswijze dat de arrestatie van [persoon 1] niet uitsluitend is geschied vanwege de aangiftes door eiser en zijn familie. In de zienswijze zijn de praktijken van [persoon 1] duidelijk uiteengezet. Verweerder heeft in het voornemen ook erkend dat [persoon 1] in het criminele circuit van Bosnië-Herzegovina een bekende figuur is en in 2022 is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens betrokkenheid bij mensenhandel. Eiser geeft aan dat het criminele netwerk van [persoon 1] , bestaande uit familieleden en vrienden, doorgaat met de criminele praktijken en het ook op hem gemunt heeft. Eiser is bij herhaling aangevallen door leden uit deze groep en het is voor eiser evident dat hij bij gedwongen terugkeer naar Bosnië-Herzegovina voor zijn leven moet vrezen.
5.1.
De rechtbank merkt op dat eiser in zijn gronden vooral benadrukt dat [persoon 1] tot een (zwaar) crimineel netwerk behoort. Dit heeft verweerder niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter niet ten onrechte geoordeeld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Uit openbare bronnen blijkt namelijk dat [persoon 1] in 2022 is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Verweerder gaat ervan uit dat [persoon 1] zich sindsdien in detentie bevindt, hetgeen de gemachtigde van eiser tijdens de zitting niet heeft betwist. Dit strookt niet met de verklaringen van eiser tijdens zijn gehoor in december 2025, waarbij hij meermaals stelt dat de mishandelingen door [persoon 1] ongeveer anderhalf jaar geleden begonnen. De gemachtigde van eiser voert hiertegen aan dat eiser niet zo goed is met data en dat het best zou kunnen dat de problemen begonnen vóór de veroordeling in 2022. Ook heeft eiser volgens zijn gemachtigde bedoeld te zeggen dat de relatie met zijn zus en [persoon 1] anderhalf jaar heeft geduurd, niet dat deze anderhalf jaar geleden zou zijn begonnen. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser tijdens het gehoor zo heeft mogen uitleggen dat de relatie van zijn zus, en daarmee de problemen met [persoon 1] , anderhalf jaar geleden zijn begonnen. In het gehoor is namelijk heel concreet gesproken over tijdstippen waarop gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, eiser heeft daarbij meerdere keren aangegeven dat deze gebeurtenissen ongeveer in 2024 hebben plaatsgevonden. Uit het gehoor blijkt ook dat eiser heeft aangegeven dat hij zich fysiek en mentaal in staat voelde om te verklaren.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij ongerijmd heeft verklaard over het handelen van de politie en dat het ongerijmd is dat de zus die een relatie heeft gehad met [persoon 1] nog steeds in Bosnië-Herzegovina verblijft. Dit is in de gronden of op de zitting ook niet bestreden door (de gemachtigde van) eiser.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen?
6. Eiser kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn asielaanvraag als
kennelijk ongegrond
.
7. Verweerder kan een asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond indien een vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. [3] Verder kan verweerder een asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dit mogelijk was [4] of als de vreemdeling de aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen. [5]
7.1.
Op grond van hetgeen onder 6.1 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser niet ten onrechte als kennelijk vals heeft beoordeeld.
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft geen documenten van de aangifte bij de politie of van zijn bezoek aan het ziekenhuis na een gestelde aanval door leden van het netwerk van [persoon 1] overgelegd. Hiervoor heeft hij ook geen goede verklaring gegeven. Dit is in de gronden en op de zitting ook niet bestreden.
7.3.
Ook heeft verweerder niet ten onrechte geoordeeld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij daar geen goede verklaring voor heeft. Eiser is in maart 2025 naar Nederland gereisd, maar heeft pas op 12 december 2025 asiel aangevraagd toen hij staande werd gehouden door de politie. Ook dit is in de gronden en op zitting niet bestreden.
7.4.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de asielaanvraag van eiser op
goede gronden heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.517 ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.518 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Volgens artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw.
4.Volgens artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw.
5.Volgens artikel 30b, eerste lid, onder f, van de Vw.