Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9177

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
AMS 24/7543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8 EVRMWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenRegeling WGAVreemdelingenbesluitVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan middelenvereiste

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid van de heer referent. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat de referent niet voldoet aan het middelenvereiste, aangezien hij een WIA-uitkering op grond van de Regeling WGA ontvangt. De rechtbank oordeelt dat de minister in redelijkheid van het beleid heeft kunnen afwijken en dat het aan het UWV is om te beoordelen of de arbeidsongeschiktheid van de referent blijvend is.

Eiseres betoogt dat de referent al meer dan tien jaar volledig arbeidsongeschikt is en dat het onredelijk is om hem niet vrij te stellen van het middelenvereiste. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat blijvende arbeidsongeschiktheid in beginsel leidt tot een IVA-uitkering, en dat het beleid van de minister niet onredelijk is.

Verder weegt de rechtbank mee dat de minister in de belangenafweging het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het persoonlijke belang van eiseres. De minister heeft terecht rekening gehouden met het ontbreken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen en met het economische belang dat eiseres mogelijk geen inkomen kan genereren in Nederland.

Eiseres heeft ook een beroep gedaan op de nieuwe werkinstructie WI 2026/3, maar de rechtbank oordeelt dat deze instructie niet leidt tot een andere uitkomst. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens niet voldoen aan het middelenvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7543
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Marokko, eiseres

(gemachtigde: mr. C.A. Madern),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres in redelijkheid heeft kunnen afwijzen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij de heer [persoon] (referent)’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 april 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook was referent, de heer [persoon] , aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat is gebleken dat referent niet aan het middelenvereiste voldoet en referent niet wordt vrijgesteld hiervan. Referent ontvangt namelijk een WIA [1] -uitkering op grond van de Regeling WGA [2] . Uit het beleid volgt dat de minister in dat geval geen blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aanneemt. De minister ziet geen aanleiding om in het geval van eiser van het beleid af te wijken. [3] Daarnaast is de minister van mening dat geen sprake is van strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [4] .
Middelenvereiste
4. Eiseres voert aan dat referent al sinds 20 januari 2015 ziek en arbeidsongeschikt is. Uit de brief van het UWV [5] van 6 maart 2024 blijkt dat referent nog steeds 80-100% arbeidsongeschikt is. Referent staat op de wachtlijst om door het UWV te worden gekeurd, maar het UWV heeft een lange wachtlijst. Dit betekent dat referent nu al meer dan 10 jaar ononderbroken volledig arbeidsongeschikt is. Er is sprake van een duurzame, blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid. Zelfs als referent een WIA-uitkering op grond van de WGA-regeling ontvangt, is het volgens eiseres onredelijk om referent niet vrij te stellen van het middelenvereiste.
4.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, volgt uit de systematiek van de WIA, de WGA en de IVA [6] dat als een referent blijvend arbeidsongeschikt is, die referent in beginsel in aanmerking moet komen voor een uitkering op grond van de IVA. [7] Het beleid van de minister sluit daarop aan en is in zoverre dus niet onredelijk, zoals de Afdeling eerder al oordeelde. [8] Als referent het niet eens is met het type uitkering dat hij van het UWV ontvangt en met de medische beoordeling van zijn situatie, dan is het aan referent om dit bij het UWV aan te geven en daartegen op te komen. Uit de brief van het UWV volgt dat referent recht heeft op een WGA-uitkering en dat hij tussen de 80 en 100% arbeidsongeschikt is. Deze brief kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat hieruit niet blijkt dat referent blijvend arbeidsongeschikt is.
4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in de aangevoerde omstandigheden ook geen reden heeft hoeven zien om van zijn beleid af te wijken. Het is niet aan verweerder, maar aan het UWV om aan de hand van wat eiseres (of referent) heeft aangevoerd te beoordelen of de arbeidsongeschiktheid blijvend is. De enkele omstandigheid dat referent al lange tijd een uitkering ontvangt, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de minister af moet wijken van zijn beleid, te meer nu uit die omstandigheid niet automatisch blijkt dat de arbeidsongeschiktheid blijvend van aard is.
Artikel 8 EVRM Pro
Belangenafweging
5. Partijen zijn het erover eens dat tussen eiseres en referent sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseres zo dat zij niet het standpunt inneemt dat de minister niet alle omstandigheden heeft meegenomen in de belangenafweging, maar dat zij het niet eens is met de weging van de omstandigheden en dat dit tot een andere uitkomst had moeten leiden. Het is volgens eiseres onredelijk om vragen te stellen aan referent of eiseres hier kan gaan werken om vervolgens het positieve antwoord tegen hem te gebruiken en te stellen dat dit een onzekere gebeurtenis is. Referent is in Nederland geïntegreerd en heeft de Nederlandse nationaliteit. Dat referent familie in Marokko heeft, maakt niet dat hij weer in Marokko moet gaan leven.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het kader van de belangenafweging het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het persoonlijk belang van eiseres. Daarbij heeft de minister belang mogen hechten aan het ontbreken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Ook heeft de minister in het kader van het economisch belang aan eiseres mogen tegenwerpen dat het een onzekere gebeurtenis is dat eiseres in Nederland zal kunnen gaan werken en een inkomen zal generen, waardoor niet is uitgesloten dat er een beroep zal worden gedaan op de openbare kas. De rechtbank begrijpt dat het voor referent vervelend is dat hij moet terugkeren naar Marokko om met zijn vrouw gezinsleven uit te oefenen, maar dit levert nog geen recht op om het gezinsleven in Nederland uit te oefenen
Nieuwe werkinstructie
6. Op zitting heeft eiseres een beroep gedaan op de nieuwe werkinstructie WI 2026/3 van 2 maart 2026. Volgens eiseres volgt uit paragraaf 6.1. van WI 2026/3 dat de belangenafweging ook op basis van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet plaatsvinden en niet alleen op basis van artikel 8 van Pro het EVRM, waardoor de strikte toepassing van de uitkeringsvormen niet had moeten gebeuren.
6.1.
De rechtbank kan eiseres niet in dit betoog volgen en is het eens met de door de gemachtigde van de minister gegeven toelichting op zitting. Op grond van paragraaf 6.1. van WI 2026/3 is in zaken waarin wordt voldaan aan de eisen van artikel 3.14 in combinatie met artikel 3.15 Vb [9] , sprake van een beperkter algemeen belang van de minister. In deze zaak, waarin sprake is van een geldig huwelijk met een referent met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, moet in het kader van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM het belang dat met het middelenvereiste is gediend, namelijk de bescherming van de openbare kas, worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het middelenvereiste in het kader van de belangenafweging op een juiste manier en in overeenstemming met de nieuwe werkinstructie gewogen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
3.Zie paragraaf B7/2.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
6.Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1164.
8.Zie paragraaf B7/2.1.1. van de Vc 2000 en de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1164.
9.Vreemdelingenbesluit.