In deze civiele procedure staat centraal of tussen [partij A] en [partij B] een bindend non-concurrentiebeding is overeengekomen in het kader van hun samenwerking op het gebied van software voor gemeenten.
Partijen werkten van 2018 tot 2019 samen, waarbij conceptovereenkomsten werden uitgewisseld, maar geen definitieve samenwerkingsovereenkomst werd gesloten. [partij A] stelde dat een non-concurrentiebeding uit conceptovereenkomst 1 van toepassing was, terwijl [partij B] dit ontkende en stelde dat conceptovereenkomst 2, met een ander beding, niet was aanvaard.
De rechtbank oordeelt dat geen bindende overeenkomst tot stand is gekomen over het non-concurrentiebeding, mede omdat partijen niet eens waren over essentiële onderdelen en de conceptovereenkomsten niet zijn ondertekend. Hierdoor faalt ook de vordering dat [partij B] onrechtmatig heeft gehandeld door eigen GRC-software te ontwikkelen.
De vorderingen tegen [partij C] en [partij D] wegens vermeend misbruik van tekortkoming in nakoming worden eveneens afgewezen. In de vrijwaringszaak wijst de rechtbank de vorderingen van [partij C] af, omdat de vrijwaringsclausule niet ziet op het huidige geschil.
De rechtbank veroordeelt [partij A] in de proceskosten en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.