Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9186

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/09/681767 HA ZA 25-245 en C/09/688943 / HA ZA 25-649
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6 BWArt. 12 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bindend non-concurrentiebeding in samenwerkingsovereenkomst tussen softwarebedrijven

In deze civiele procedure staat centraal of tussen [partij A] en [partij B] een bindend non-concurrentiebeding is overeengekomen in het kader van hun samenwerking op het gebied van software voor gemeenten.

Partijen werkten van 2018 tot 2019 samen, waarbij conceptovereenkomsten werden uitgewisseld, maar geen definitieve samenwerkingsovereenkomst werd gesloten. [partij A] stelde dat een non-concurrentiebeding uit conceptovereenkomst 1 van toepassing was, terwijl [partij B] dit ontkende en stelde dat conceptovereenkomst 2, met een ander beding, niet was aanvaard.

De rechtbank oordeelt dat geen bindende overeenkomst tot stand is gekomen over het non-concurrentiebeding, mede omdat partijen niet eens waren over essentiële onderdelen en de conceptovereenkomsten niet zijn ondertekend. Hierdoor faalt ook de vordering dat [partij B] onrechtmatig heeft gehandeld door eigen GRC-software te ontwikkelen.

De vorderingen tegen [partij C] en [partij D] wegens vermeend misbruik van tekortkoming in nakoming worden eveneens afgewezen. In de vrijwaringszaak wijst de rechtbank de vorderingen van [partij C] af, omdat de vrijwaringsclausule niet ziet op het huidige geschil.

De rechtbank veroordeelt [partij A] in de proceskosten en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af omdat geen bindende non-concurrentieafspraak is gesloten en de vrijwaringsvorderingen niet van toepassing zijn.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Vonnis van 15 april 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer C/09/681767 / HA ZA 25-245 van
[partij A] B.V., te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. R. van Biezen, te Den Haag,
tegen

1.[partij B] B.V., te [vestigingsplaats 2],

gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. H.C.W. Geffroy, te Ede,
2.
[partij C] B.V., te [vestigingsplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij C],
advocaat: mr. P.G. van der Putt, te Amsterdam,
3.
[partij D] B.V., te [vestigingsplaats 4],
advocaat: mr. P.G. van der Putt, te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij D],
advocaat: mr. P.G. van der Putt, te Amsterdam,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/09/688943 / HA ZA 25-649 van
[partij C] B.V., te [vestigingsplaats 5],
eisende partij,
hierna te noemen: [partij C],
advocaat: mr. P.G. van der Putt, te Amsterdam,
tegen

1.[partij B] B.V., te [vestigingsplaats 2],

gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. H.C.W. Geffroy, te Ede,
2.
[partij E], te [woonplaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij E],
advocaat: mr. H.C.W. Geffroy, te Ede,
3.
[partij F], te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij F],
advocaat: mr. H.C.W. Geffroy, te Ede,
4.
[partij G], te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij G],
advocaat: mr. H.C.W. Geffroy, te Ede,
5.
[partij H], te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij H],
advocaat: mr. H.C.W. Geffroy, te Ede.
Gedaagde partijen in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk [gedaagden hoofdzaak] genoemd. Gedaagde partijen in de vrijwaringszaak worden hierna gezamenlijk [gedaagden vrijwaringszaak] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat in de hoofdzaak uit de volgende stukken:
- de twee exploten van dagvaarding van 6 februari 2025;
- de akte overlegging producties, met de producties 1 tot en met 30;
- de conclusie van antwoord van [partij B], met de producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord van [partij D], met de producties 1 en 2;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [partij C], met 1 productie;
- de incidentele conclusie van antwoord in incident oproeping in vrijwaring van [partij A];
- het vonnis in incident van 11 juni 2025;
- de conclusie van antwoord van [partij C], met producties 1 tot en met 9;
- de akte overlegging producties van [partij A], met de productie 31 tot en met 33;
- productie 34 van [partij A].
1.2.
Het procesdossier bestaat in de vrijwaringszaak uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 14 juli 2025, met de producties 1 tot en met 20;
- de conclusie van antwoord in vrijwaring;
- de akte houdende wijziging van eis en overlegging productie van [partij C], met productie 21;
- de akte houdende overlegging producties van [partij C], met de producties 22 en 23;
- de akte houdende overlegging producties van [partij C], met productie 24.
1.3.
De mondelinge behandeling van de hoofdzaak en de vrijwaringszaak heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Partijen hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
in de hoofdzaak
2.1.
[partij A] is actief op het gebied van Planning & Control software voor gemeenten. Naast het pakket op het gebied Planning & Control heeft [partij A]
ook aanpalende Government Risk and Compliance (hierna: GRC) software voor gemeenten ontwikkeld. De heer [naam 1] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [partij A].
2.2.
[partij B] houdt zich vooral bezig met het ontwikkelen van digitale trainingen voor gemeenten en andere overheidsinstellingen. Daarnaast is [partij B] leverancier van een Information Security Management System (hierna: ISMS) dat is gericht op de thema’s informatie, beveiliging en privacy. Het ISMS bevat standaarddocumenten en procedures om maatregelen te kunnen uitvoeren (hierna: de content).
2.3.
[partij C] is een ICT-dienstverlener die actief is in het ontwikkelen, leveren en beheren van IT-oplossingen voor bedrijven en instellingen. Op 7 juli 2023 heeft [partij C] de vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1]) overgenomen. Per 1 januari 2025 heeft er een juridische fusie plaatsgevonden waarbij [bedrijfsnaam 1] is opgegaan in [partij C].
2.4.
[partij D] maakt onderdeel uit van de [partij D] groep. [partij D] beheert private equityfondsen die investeren in softwarebedrijven. [partij D] houdt zich bezig met het beheer van beleggingsinstellingen. In juni 20217 heeft [partij D] geïnvesteerd in [bedrijfsnaam 1]. In de periode van juni 2017 tot juni 2023 hebben twee fondsen van [partij D] een aandelenbelang gehad in [bedrijfsnaam 1]. [partij D] is nooit zelf aandeelhouder of bestuurder geweest van [bedrijfsnaam 1].
2.5.
[partij A] en [partij B] zijn met elkaar in contact gekomen via de gemeente [gemeente], voor wie zij beide werkten in de informatiebeveiliging en privacy. [partij A] was geïnteresseerd om haar software in combinatie met de content van [partij B] aan klanten aan te bieden.
2.6.
Met het oog op een voorgenomen samenwerking hebben [partij A] en [partij B] in maart 2018 een NDA (geheimhoudingsovereenkomst) gesloten.
2.7.
Bij e-mail van 14 mei 2018 heeft [naam 1] aan [partij E], met kopie aan onder meer [partij H] - directeur van [partij B] -, het volgende bericht:
“Ha [naam 2],
Even cc aan [partij H] en [partij E] zodat het helder waar we mee worstelen.
Zojuist nog uitgebreid met [partij H] gesproken over het ‘verdeelmodel’.
Zij ziet toch een aantal risico’s die maken dat we daar last van zouden kunnen krijgen in de
samenwerking.
• [partij B] levert nu documentgenerator + klein beetje workflow maar ook: markt,
naamsbekendheid, leads etc.
• [partij B] levert straks alleen documentgenerator en markt, naamsbekendheid, leads etc.>
[partij B] laat workflow schieten
• Gemeente betalen straks voor documentgenerator + koppelvlak aan [partij B] en aan ons
ook voor koppelvlak + workflow
Wat nu als gemeenten nu of over een paar jaar het wel geloven met die documenten. Zoveel
verandert er niet meer, er komen andere aanbieders voor contentbeheer etc. ? Dit is een () mogelijk scenario. Dan zeggen gemeenten het contract documentgenerator + koppeling op
en staat [partij B] feitelijk met lege handen. Dit omdat markt, naamsbekendheid, leads etc niet
verzilverd is in ons model (dat helemaal uitgaat van het koppelvlak). [partij A] heeft dan
minder problemen want die levert nog steeds de workflow.
Er zit zo dus een perverse prikkel in de samenwerking: [partij B] zou de neiging kunnen krijgen om toch maar workflow te gaan doen. [partij A] om het stukje documentengeneratie naar zich toe te trekken.
Hoe lossen we dit op?
Waarschijnlijk door toch een gezamenlijke pot te maken. Ons probleem is (op dit moment)
dat we het lastig vinden om onze benodigde opbrengst voor P&C in tact te houden. We
zullen dus een aantal duidelijke begrenzingen moeten aanbrengen tussen GRC en P&C om te voorkomen dat een klant op het gebied van informatieveiligheid straks zegt: ik hoef jullie
P&C tool niet want feitelijk heb ik die al (zeg maar wat we nu vaak merken met
projectmanagement).
Hier moeten we dus nog even een creatieve oplossing voor bedenken.
We komen er wel uit maar moeten nog even worstelen”
2.8.
Bij e-mail van 14 november 2018 heeft [partij H] het volgende geschreven aan [naam 1]:
“Dag [naam 1],
Goede energie. Gisteren met [naam 3] een uitgebreide presentatie gehouden bij de gemeente
Tynaarlo, AA en Hunze en Assen en zij zijn enthousiast en willen de upgrade maken van ons ISMS naar [partij A]. Lekker....
Mijn doel is onze samenwerking (die tot nu toe praktisch, maar wel effectief is) vast te leggen waarbij we alle afspraken respecteren en de belangen borgen. Tegelijkertijd wil ik graag een samenwerkingsovereenkomst die de energie van onze samenwerking vastlegt, zonder dat alle ins en outs vastgelegd worden zoals in een uitgebreid juridisch contract.
Op basis van de input van mijn adviseur heb ik om die reden de samenwerkingsovereenkomst rondom het lSMS informatieveiligheidstool opgesteld met alle afspraken erin. Mijn vraag aan jou of deze afspraken jouw/jullie belangen respecteren.
Ik verwijs in de samenwerkingsovereenkomst naar 3 bijlagen waarvan 2 bijlagen jaarlijks
geactualiseerd moeten worden. De bijlagen bevatten dan de operationele afspraken resp. de prijsafspraken en de lijst met bestaande klanten van jullie. Deze bijlagen heb ik nu nog niet toegevoegd. Het gaat in eerste instantie om de hoofdlijnen en hoe we met elkaar willen werken en ieders belang borgen. Als wij het verder eens zijn en de overeenkomst ook jullie belangen afdekt, dan gaan we de bijlagen aanvullen.
Eenzelfde opzet ben ik aan het maken met [bedrijfsnaam 2] voor de privacytooling. Dat zal een
samenwerkingsovereenkomst worden met 3 partijen. Die komt er ook binnenkort aan.
Op woensdag 5 december spreken we elkaar in ieder geval en hebben we een afspraak staan.
Zullen we dan deze samenwerkingsovereenkomst verder kortsluiten?”
2.9.
Bij deze e-mail heeft [partij H] een concept-samenwerkingsovereenkomst gevoegd (hierna: conceptovereenkomst 1), waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“6. [partij B] zal geen P&C en/of uitgebreide GRC functionaliteit gaan of laten ontwikkelen voor haar ISMS basis.
7. [partij A] zal op haar beurt geen eigen content/documenten gaan of laten ontwikkelen op het terrein van informatieveiligheid en privacy.
(…)
12. Deze overeenkomst is geldig vanaf datum ondertekening met een looptijd van 4 jaar met stilzwijgende verlenging van telkens 1 jaar, tenzij partijen hebben opgezegd, uiterlijk 1 maand voor het verstrijken van het contract. Alsdan gaan partijen in overleg met als uitgangspunt dat enerzijds de gerechtigdheidsafspraken voortduren, dat de cliënten geen hinder mogen ondervinden van de beëindiging van de samenwerking, en dat voor een periode van 3 jaar na het beëindigen van de overeenkomst de afspraken geldig blijven met betrekking tot de ontwikkeling van documenten enerzijds en het ontwikkelen van een projectmanagementsysteem/GRC-tool anderzijds.”
2.10.
In reactie hierop heeft [naam 1] bij e-mail van 14 november 2018 aan [partij H] bericht:
“Ik hoorde het! De lijst wordt langer en langer …. Super goed. Ik heb het document even doorgelezen en volgens mij is e.e.a. prima geformuleerd. Ik leg het wel even bij onze jurist neer omdat het mijn vak niet is.”
2.11.
[partij A] heeft conceptovereenkomst 1 laten beoordelen door een juridisch adviseur, mr. [naam 4]. [naam 1] heeft de bevindingen van mr. [naam 4] bij e-mail van 11 december 2018 doorgestuurd naar [partij H] met het voorstel om met mr. [naam 4] om de tafel te gaan zitten. [naam 4] heeft over conceptovereenkomst 1 onder meer geschreven:
“Ik heb er naar gekeken, en ik snap waarom [naam 5] zegt: Zuilen wij er een opstellen”.
Want het volgt gewoon geen vast stramien. Het is een berg bepalingen zonder structuur.
En wat ik eigenlijk mis is:
 Wat is de eigenlijke relatie?
Wie sluit daadwerkelijk de overeenkomsten met klanten?
Volgens mij moet het zo zijn dat jullie met klanten de overeenkomsten sluiten. En dat jullie een licentie hebben gekregen om de content mee te nemen in het abonnement richting klanten. Dus zij bemiddelen slechts bij totstandkoming overeenkomst en krijgen daar een vergoeding voor. Jullie bepalen dan welke juridische documentatie er geldt. Jullie eigen AV of GIBIT.
Dan worden ze trouwens wel agent. Let op. Dan ben je ze na einde overeenkomst een
klantvergoeding verschuldigd. Maar dan kun je wel bedingen dat de klanten ook echt van jou zijn, inclusief non-concurrentie / non-relatie beding voor een bepaalde redelijke periode.
 Wat als partijen uit elkaar gaan?
Dan wil je niet dat abonnementen die al uitgezet zijn bij klanten niet meer gebruikt kunnen worden. Wil je zelf die content kunnen laten actualiseren. Of moet je op zoek naar andere leverancier / nieuwe content?
Als je dit goed in kaart hebt, kun je gaan structureren en details bespreken. Nu lijkt het heel veel details, zonder grote lijn(en).”
2.12.
In de periode mei 2018 tot eind september 2019 hebben partijen samengewerkt. Hierbij hebben zij softwarepakketten aan klanten aangeboden. Dit aanbod kwam (in eerste instantie) erop neer dat de klant kon kiezen voor het basis ISMS van [partij B] of een groeimodel naar een Plus- of een Pro-pakket van [partij A]. [partij B] stelde de content uit het ISMS ook beschikbaar in het Plus- of Propakket van [partij A]. Hierdoor kreeg [partij A] de mogelijkheid om haar software geschikt te maken voor de klanten op het thema informatieveiligheid en privacy, die zowel de content wilden als een GRC-functionaliteit. Ook heeft [partij A] functionaliteit in haar applicatie ontwikkeld om documenten te kunnen linken aan content van [partij B].
2.13.
Bij e-mail van 30 juli 2019, met als onderwerp: “Re Samenwerkingsafspraken [partij B]-[bedrijfsnaam 2]-[partij A]” heeft [naam 1] aan [partij H] het volgende bericht:
“Dit gaat niet goed. Er worden, in deze mail en in de samenwerkingsovereenkomst, allerlei aannames gedaan, afspraken met terugwerkende kracht opgenomen en zaken geformuleerd die in de toekomst voor nieuwe discussies kunnen leiden. Essentiële wensen en eisen van onze kant aan de samenwerking zijn niet meer terug te vinden.
Ik zal deze week in overleg met onze jurist de nodige zaken op papier zetten, en deze daarna aan jou sturen. Zo hadden we het aanvankelijk ook afgesproken!”
2.14.
In reactie hierop heeft [partij H] bij e-mail van 31 juli 2019 het volgende geschreven:
“Ik weet nog niet of ik heb gereageerd op deze mail. Het komt nu op mij over alsof er totaal nieuwe zaken in staan. Ik ben wel benieuwd waar je op doelt.
Het belangrijkste is dat we afspraken maken over de samenwerking die recht doet aan alle werkzaamheden en de taakverdeling van de drie partijen.
Wat ik wil voorkomen is dat het direct een juridische discussie wordt. Zou je alvast kunnen aangeven op welke punten je vindt dat het anders moet?”
2.15.
In reactie hierop heeft [naam 1] bij e-mail van 15 augustus 2019, voor zover nu van belang, het volgende geschreven:
“Zoals ik in mijn mail van 30 juli al aangaf kan ik me niet vinden in de zogenaamde afspraken die jij in je mail noemt/in een samenwerkingsovereenkomst probeert vast te leggen. De samenwerkingsovereenkomst kan uitsluitend gaan over het vormgeven van de resellers-verhouding die wij met elkaar hebben. Dat gaat dan over afspraken over de fees die jullie ontvangen als jullie onze modules ISMS en PMS verkopen aan jullie klanten of ook aan andere organisaties. En ook over de afspraken rond de content die jullie kunnen leveren. Die afspraken zijn inmiddels helder.
Nu rest ons nog het finetunen van werkafspraken over operationele zaken als: aanleveren van opdrachtformulieren, facturatie, bijhouden van content e.d. Wij zullen dat uitwerken.
T.a.v. een 3-partijenovereenkomst zie ik daar het nut niet van in. Daar is aanvankelijk ook nooit sprake van geweest en nu de praktijk zich ontwikkelt, blijkt daar nu geen behoefte aan vanuit de klant. Ik zal dit ook verder met [bedrijfsnaam 2] afstemmen.”
2.16.
Hierop heeft [partij H] bij e-mail van 16 augustus 2019, voor zover nu van belang, als volgt op gereageerd:
“Je geeft aan dat de samenwerkingsovereenkomst uitsluitend gaat over de resellersverhouding en dat de afspraken over de content die wij leveren al helder zijn. Daar heb ik twee vragen over:
1. Content
Er is al het een en ander geleverd ten aanzien van de content (o.a. de PIA’s) en gaat ook nog content geleverd worden ten aanzien van de BIO. Daar zou ik wel het een en ander over willen vastleggen in verband met het intellectueel eigendom. Kun je mij aangeven hoe en waar de afspraken van de content dan vastliggen?
2. Resellersafspraken
In het gedeelte ‘resellersverhouding’ hebben wij vastgelegd wat de fee’s zijn als jullie het ISMS/PMS verkopen en als wij het ISMS/PMS verkopen. Deze fee’s zijn nog niet helder als jullie het verkopen. Hierover heb ik je gesproken, het vervolgens op de mail gezet (3 april) en al een keer een reminder gestuurd, maar nog geen reactie gehad. Dit moet dus nog. Als de verdelingen rond zijn, dan kunnen we checken op juistheid om te betalen.
Tenslotte als laatste wil ik wel aangeven dat dit nu al een behoorlijke tijd speelt en we nu stappen moeten zetten om het op te lossen. De regio-bijeenkomsten komen eraan in september en we willen krachtig onze gezamenlijke oplossing kunnen presenteren. Het helpt niet als wij dan onderling nog afspraken niet hebben vastgelegd cq onduidelijkheden hebben. Dus graag je aandacht hiervoor.”
2.17.
Bij e-mail van 30 augustus 2019 heeft [naam 1] aan [partij H] een conceptovereenkomst genaamd “Partnerovereenkomst” (hierna: conceptovereenkomst 2) toegestuurd, met het voorstel: “Laten we na mijn vakantie snel om tafel om dit af te kaarten. Wil jij een datum prikken”.
2.18.
Conceptovereenkomst 2 luidt, voor zover nu van belang, als volgt:
“Artikel 8. INTELLECTUELE EIGENDOMSRECHTEN
8.1.
Het is Partner [lees: [partij B], rechtbank] niet toegestaan richting haar klanten op te treden als intellectueel rechthebbende met betrekking tot producten en diensten waarop intellectuele eigendomsrechten en/of andere rechten berusten bij [partij A].
8.2.
Deze overeenkomst brengt geen wijzigingen aan in de intellectuele eigendomsrechten van respectievelijke Partijen, derhalve vinden er onder deze Overeenkomst geen overdrachten plaats van intellectuele eigendomsrechten van de ene naar de andere Partij. Elke Partij behoudt derhalve haar intellectuele eigendomsrechten voor onder deze Overeenkomst.
8.3.
Het is Partner gedurende de looptijd van de Overeenkomst, alsmede voor een periode van twee (2) jaar na beëindiging van de Overeenkomst, ongeacht reden van beëindiging, niet toegestaan direct of indirect programmatuur te ontwikkelen en/of te verkopen en/of in gebruik te geven (ongeacht of dit op basis is van SaaS, licenties of abonnementen geschiedt), welke programmatuur functioneel gebaseerd is op en/of grotendeels gelijk is aan of lijkt op de programmatuur die [partij A] verkocht en/of in gebruik geeft, welke programmatuur onderdeel is van de Diensten van [partij A].
8.4.
Het is Partner, gedurende de looptijd van de Overeenkomst en twee jaar (2) na beëindiging van de Overeenkomst, ongeacht de reden die aan de beëindiging ten grondslag ligt, niet toegestaan (maatwerk)programmatuur en/of diensten aan te bieden welke concurrerend zijn aan de producten en/of diensten van [partij A].”
2.19.
In reactie op conceptovereenkomst 2 heeft [partij H] bij e-mail van 31 augustus 2019 geschreven:
“En tenslotte heb ik vluchtig de overeenkomst gescand. Deze is zo wezenlijk anders van opzet dan het concept wat wij hebben opgezet, dat ik deze door onze jurist wil laten nakijken, want ik kan de consequenties niet overzien. Daar kom ik op terug.
2.20.
Bij e-mail van 25 september 2019 heeft [partij H] aan [naam 1] onder meer het volgende meegedeeld:
“Wij zijn met elkaar in gesprek geraakt omdat we als partijen zagen dat we elkaar zouden kunnen versterken in de markt. Wij hadden een ISMS met een slimme aanpak en mét content. Jullie een P&C-tool die de functionaliteiten van een ISMS zou kunnen behelzen, echter het ontbreekt aan de cruciale content. Zo zijn we gestart. Met het doel om
als partners elkaar te versterken. Je hebt ons steeds voorgehouden hierin mee te gaan door in te stemmen met het vastleggen van het intellectueel eigendom van [partij B] en een driepartijenovereenkomst. Nadat wij hier veel over gesproken hebben, heeft [partij B] de afspraken in een concept samenwerkingsovereenkomst voorgelegd, die je hebt
afgewezen, terwijl je ons daarvoor hebt aangegeven dat je er geen bezwaren in zag. Je hebt ons toen de resellerovereenkomst toegezonden waarmee we niet kunnen instemmen.
Je geeft nu aan dat de content maar buiten de tool om geregeld moet worden en zet [partij B] nu neer als een ‘reseller’ met een voorstel voor een resellerovereenkomst. Daarmee doe je in onze ogen geen recht aan onze eerste insteek vanuit partnership en dit geeft ons eens te meer
reden om de toekomst niet met elkaar te zien. Zoals al eerder aangegeven zijn wij qua DNA zo verschillend en telkens weer zien we dit bevestigd.”
In de e-mail heeft [partij H] geconcludeerd dat [partij B] niet bereid is om conceptovereenkomst 2 aan te gaan en heeft besloten de samenwerking met [partij A] te beëindigen.
2.21.
In reactie hierop heeft [naam 1] heeft per e-mail van gelijke datum onder meer geschreven: “Jammer dat onze samenwerking niet leidt tot wat we gehoopt hadden. Misschien is de kern wel, zoals je schrijft, dat ons DNA te verschillend is. Helaas.”
2.22.
Na deze beëindiging heeft [partij A] om te beschikken over content het bedrijf [bedrijfsnaam 3] ingeschakeld.
2.23.
Bij vonnis van 14 juli 2021 van de rechtbank Gelderland is [partij B] veroordeeld tot betaling van facturen van [partij A] tot een bedrag van € 185.787,34, te vermeerderen met rente en kosten. Dit vonnis is bij arrest van 19 december 2023 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd.
in de vrijwaringszaak
2.24.
Op 19 maart 2021 is een koopovereenkomst gesloten tussen enerzijds [bedrijfsnaam 1] en anderzijds [partij B], [partij E], [partij H], [partij G] en [partij F]. [partij H], [partij G] en [partij F] hebben de overeenkomst getekend als vennoten van de vennootschap onder firma Factor twee. [partij B], [partij E] en Factor twee zijn de overeenkomst getekend als vennoten van
de vennootschap onder firma [partij B] VOF. Bij de deze overeenkomst heeft [bedrijfsnaam 1] [partij B]-software overgenomen.
2.25.
In artikel 9 van Pro de koopovereenkomst is onder meer het volgend bepaald:
“9 VRIJWARINGEN
9.1
Op eerste verzoek van Koper, vrijwaren Verkopers Koper, en zullen Verkopers Koper
volledig schadeloosstellen voor alle verplichtingen, vorderingen, kosten en Schade
voortvloeiende uit of verband houdende met:
(…)
(f) het huidige geschil van Verkopers met [partij A].”
2.26.
Het begrip Schade is in de bijlage van de koopovereenkomst als volgt gedefinieerd:
“het bedrag van alle schade zoals vastgesteld in overeenstemming met artikel 6:96 BW Pro e.v.”

3.Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.
[partij A] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I voor recht verklaart dat tussen [partij B] en [partij A] in 2018 een samenwerkingsovereenkomst is gesloten met de volgende afspraken:
- dat partijen zich verbinden om minimaal vier jaar samen te werken:
- dat het [partij B] is verboden om gedurende de samenwerking van vier jaar tot drie jaar na einde van de samenwerking eigen uitgebreide GRS software te bouwen en in de markt te zetten;
II voor recht verklaart (primair) dat [partij B] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A], (subsidiair) dat [partij B] in strijd heeft gehandeld met de samenwerkings-overeenkomst tussen [partij B] en [partij A], en dat [partij B] aansprakelijk is voor de schade die [partij A] daardoor heeft geleden en thans nog lijdt, en de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure;
III voor recht verklaart dat [partij D] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en daarmee aansprakelijk is voor de schade die [partij A] daardoor heeft geleden en thans nog lijdt, en de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure;
IV voor recht verklaart dat [bedrijfsnaam 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en daarmee schadeplichtig is jegens [partij A] en voor recht voor recht verklaart dat [partij C] aansprakelijk is voor de schade die [partij A] daardoor heeft geleden en thans nog lijdt, en de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure;
V [gedaagden hoofdzaak] veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.
Aan deze vorderingen legt [partij A], samengevat, het volgende ten grondslag.
Tussen [partij A] en [partij B] heeft vanaf 2018 tot eind september 2019 een samenwerking bestaan. Als onderdeel van die samenwerking is een afspraak tot stand genomen waarbij [partij B] zich heeft verplicht om geen Planning & Control en/of uitgebreide GRC-functionaliteit te laten ontwikkelen. [partij B] heeft na beëindiging van de samenwerking, in strijd met de afspraak, zelf uitgebreide GRC-software gebouwd. [bedrijfsnaam 1] (die door een juridische fusie in [partij C] is opgegaan) en [partij D] hebben willens en wetens misbruik gemaakt van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van [partij B], en daarmee onrechtmatig gehandeld.
3.3.
[gedaagden hoofdzaak] concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
3.5.
[partij C] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [gedaagden vrijwaringszaak] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [partij C] van al datgene waartoe [partij C] in de hoofdzaak tegen [partij A] mocht worden veroordeeld, inclusief de kostenvergoeding, te vermeerderen met rente vanaf de datum van vonnis;
II [gedaagden vrijwaringszaak] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van alle door [partij C] gemaakte en nog te maken juridische kosten als gevolg van het geschil met [partij A], in ieder geval het bedrag van € 55.277.25, verminderd met kostenveroordelingen ten gunste van [partij C], ongeacht of de vorderingen van [partij A] in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk worden toegewezen dan wel afgewezen;
III [gedaagden vrijwaringszaak] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.6.
Aan deze vorderingen legt [partij C], samengevat, het volgende ten grondslag. [partij B] en de vennoten van [partij B] V.O.F. hebben bij koopovereenkomst van 19 maart 2021, waarbij de [partij B]-software aan haar rechtsvoorganger [bedrijfsnaam 1] is verkocht, een contractuele vrijwaring afgegeven. In artikel 9.1 onder (f) van de koopovereenkomst is bepaald dat [partij B] en de vennoten [partij B] V.O.F. [bedrijfsnaam 1] moeten vrijwaren voor alle verplichtingen, vorderingen, kosten en schade die voortvloeien of verband houden met het huidige geschil van [partij B] met [partij A], inclusief de juridische kosten die buiten de procedure zijn gemaakt en de kosten die niet door een proceskostenveroordeling worden gedekt, ook bij winst van de
procedure tegen [partij A]. Het huidige geschil als bedoeld in artikel 9.1 betreft het geschil tussen [partij A] en [partij B] over de [partij B]-software.
3.7.
[gedaagden vrijwaringszaak] concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vorderingen jegens [partij B]

4.1.
In de procedure tussen [partij A] en [partij B] staan de volgende vragen centraal:
i) is [partij B] gebonden aan de artikelen 6 jo. 12 van conceptovereenkomst 1, waarin onder meer is bepaald dat [partij B] voor een periode van 3 jaar na het beëindigen van de samenwerking geen Planning & Control en/of uitgebreide GRC functionaliteit mag ontwikkelen?;
ii) zo ja, heeft [partij B] na het verbreken van de samenwerking uitgebreide GRC-software ontwikkeld?
4.2.
Het beding waarop [partij A] zich beroept kan, zoals partijen ook hebben onderkend, als een non-concurrentiebeding worden gekwalificeerd. Volgens [partij B] is zij aan dit beding niet gebonden, omdat partijen hierover nooit overeenstemming hebben bereikt. [partij B] beoogde met conceptovereenkomst 1 afspraken te maken over een duurzame samenwerking. Hoewel partijen wel hebben samengewerkt, is conceptovereenkomst 1 nooit door [partij A] aanvaard. Zij is zelf met conceptovereenkomst 2 gekomen, waarin een ander non-concurrentiebeding is opgenomen en waarin de rechtsverhouding tussen partijen ook heel anders is vormgegeven dan in conceptovereenkomst 1. Volgens [partij B] heeft zij ook geen uitgebreide GRC-software ontwikkeld.
4.3.
Uitgangspunt in ons recht is dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Hierbij heeft te gelden dat het aanbod alle essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst dient te bevatten om als aanbod te kunnen worden aangemerkt. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.
4.4.
Niet in geschil is dat partijen bij de aanvang van de samenwerking als uitgangspunt hebben genomen dat zij elkaar niet zouden beconcurreren, omdat de samenwerking erop was gericht dat zij beide zouden profiteren van elkaars kwaliteiten: [partij A] van de content van [partij B] en laatstgenoemde van de Planning & Control en GRC-software van [partij A]. Een non-concurrentiebeding dat zich uitstrekt tot de periode na de beëindiging van de samenwerking strekt echter verder.
4.5.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat er geen overeenstemming over een volledige samenwerkingsovereenkomst is ontstaan. Volgens [partij A] hebben partijen desalniettemin een bindende afspraak met elkaar gemaakt waaruit volgt dat, na beëindiging van de samenwerking, [partij A] geen eigen content zal ontwikkelen op het terrein van informatieveiligheid en privacy en [partij B] geen Planning & Control en uitgebreide GRC-software voor haar eigen ISMS-basis. [partij A] heeft in dit verband een beroep gedaan op de namens [partij B] opgestelde conceptovereenkomst 1. De rechtbank verwerpt deze stellingen om de navolgende redenen.
4.6.
[partij B] heeft onweersproken toegelicht dat zij conceptovereenkomst 1 aan [partij A] heeft aangeboden met het oog op een duurzame samenwerking. [partij A] mocht in deze omstandigheden uit de punten 6, 7 en 12 van conceptovereenkomst 1 redelijkerwijs niet afleiden dat partijen gebonden zouden zijn aan een non-concurrentiebeding ook als de samenwerking uiteindelijk niet van de grond zou komen. De omstandigheid dat [partij B] en [partij A], na het verstrekken van conceptovereenkomst 1 door [partij B] aan [partij A], feitelijk enige tijd met elkaar hebben samengewerkt, maakt het voorgaande niet anders. Partijen hebben conceptovereenkomst 1 niet ondertekend (mede) omdat [partij A] behoefte had aan een juridische toets. [partij A] is vervolgens zelf op 30 augustus 2019 gekomen met conceptovereenkomst 2, met een wezenlijk andere set afspraken dan vervat in de conceptovereenkomst 1, ook ten aanzien van de inhoud van het non-concurrentiebeding . Zo komt het in conceptovereenkomst 2 neergelegde non-concurrentiebeding feitelijk neer op een eenzijdig beding ten gunste van [partij A] en heeft het non-concurrentiebeding in beide concepten een andere looptijd, zodat niet gezegd kan worden dat partijen het reeds eens waren over de aard en strekking van een non-concurrentiebeding na beëindiging van de samenwerking. Conceptovereenkomst 2 moet dan ook tenminste als een nieuw aanbod worden gekwalificeerd, welk aanbod [partij B] blijkens haar brief van 25 september 2019 niet heeft aanvaard. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat [partij B] niet is gebonden aan het non-concurrentiebeding als bedoeld in conceptovereenkomst 1. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [partij B] uitgebreide GRC-software heeft ontwikkeld.
4.7.
De slotsom is dat de vorderingen van [partij A] worden afgewezen.
De vorderingen jegens [partij C] en [partij D]
4.8.
Nu [partij B] niet is gebonden aan het non-concurrentiebeding , ontvalt daarmee de grondslag van het verwijt van [partij A] aan [partij C] en [partij D] dat zij misbruik hebben gemaakt van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van het non-concurrentiebeding door [partij B]. Hierop stranden de vorderingen jegens [partij C] en [partij D]
Proceskosten
4.9.
[partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [partij B], [partij C] en [partij D] worden telkens als volgt begroot:
- griffierecht € 714
- salaris advocaat € 1.306 (twee punten à € 653, volgens tarief II)
- nakosten
€ 189(met de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 2.209
4.10.
Uitsluitend [partij B] heeft wettelijke rente gevorderd over de proceskosten. Deze vordering zal worden toegewezen.
in de vrijwaringszaak
4.11.
Vordering I van [partij C] heeft - zoals gebruikelijk in een vrijwaringszaak - een voorwaardelijke karakter, in die zin dat voorwaarde voor toewijzing is dat [partij C] in de hoofdzaak in het ongelijk wordt gesteld en schadeplichtig is jegens [partij A]. Deze situatie doet zich hier niet voor. Hierop strandt vordering I.
4.12.
Vordering II van [partij C] heeft geen voorwaardelijk karakter. [partij C] vordert op grond van de vrijwaringsclausule in de koopovereenkomst vergoeding van, kort gezegd, alle juridische kosten met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak.
4.13.
Volgens [gedaagden vrijwaringszaak] strekt de vrijwaringsclausule zich niet uit tot het geschil in de hoofdzaak. Toen deze clausule is overeengekomen bestond alleen een geschil tussen [partij A] en [partij B] over de facturen, uitmondend in de onder 2.23 bedoelde uitspraken. Pas later heeft [partij A] [partij B] aangesproken op het non-concurrentiebeding , aldus [gedaagden vrijwaringszaak]
4.14.
In reactie hierop heeft [partij C] zich op het standpunt gesteld dat de vrijwarings-clausule bewust breed is geformuleerd en zich ook uitstrekt tot op dat moment onbekende geschillen.
4.15.
Niet in geschil is dat bij het sluiten van de koopovereenkomst een geschil tussen [partij A] en [partij B] bestond over de facturen. Uit de formulering van de vrijwaringsclausule blijkt niet dat deze zich uitstrekt tot onbekende geschillen, nu de clausule spreekt van “het huidige geschil van Verkopers met [partij A]”. [partij C] heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen hebben bedoeld ook toekomstige geschillen onder de reikwijdte van de vrijwaringclausule te laten vallen. Dit brengt mee dat de vrijwaringsclausule niet van toepassing is op de door [partij C] gemaakte juridische kosten in de hoofdzaak. Hierop strandt vordering II.
4.16.
[partij C] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagden vrijwaringszaak] worden als volgt begroot:
- griffierecht € 714
- salaris advocaat € 1.306 (twee punten à € 653, volgens tarief II)
- nakosten
€ 189(met de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 2.209

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, begroot als volgt:
- aan de zijde van [partij B] tot op heden begroot op € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij A] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
- aan de zijde van [partij C] tot op heden begroot op € 2.209, te betalen binnen vijf dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij A] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening,
-aan de zijde van [partij D] tot op heden begroot op € 2.209, te betalen binnen vijf dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij A] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart de veroordelingen ten gunste van [partij C] en [partij D] uitvoerbaar bij voorraad;
in de vrijwaringszaak
5.4.
wijst het gevorderde af;
5.5.
veroordeelt [partij C] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden vrijwaringszaak] tot op heden begroot op € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij C] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
Type: 1554