Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9188

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.22587 en NL25.22588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 VWEUArt. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 24 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument minderjarige kind verblijft in Turkije

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan, welke door de minister is afgewezen omdat het minderjarige Nederlandse kind van eiser niet in Nederland verblijft, maar in Turkije. Eiser stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, maar heeft zijn beroepsgronden niet nader onderbouwd en is niet verschenen op de zitting.

De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen, mede omdat het kind niet op het grondgebied van de EU verblijft en er geen sprake is van rechtmatig verblijf als verzorgende ouder. De aangevoerde beroepen op Unierecht, het Chavez-arrest, het Associatiebesluit, artikel 8 EVRM Pro en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank ziet geen reden om aan de rechtmatigheid van het besluit te twijfelen, ook niet ambtshalve. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.22587 (beroep) en NL25.22588 (vovo)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser/ verzoeker (eiser)

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank/ de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser in redelijkheid heeft kunnen afwijzen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
19 februari 2025 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 23 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De minister heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De minister heeft in het bestreden besluit de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument afgewezen. De minister legt hieraan ten grondslag dat uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat het minderjarige Nederlandse kind van eiser niet in Nederland verblijft, maar in Turkije. Aangezien eisers kind niet in Nederland verblijft, kan geen Nederlands verblijfsdocument verstrekt worden. Daarnaast is er op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [1] evenmin rechtmatig verblijf in Nederland als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. Het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM [2] , artikel 3 van Pro het IVRK [3] en artikel 24 van Pro het EU-Handvest [4] is niet onderbouwd volgens de minister. Niet is gebleken dat de belangen van het kind van eiser op een substantiële wijze in het geding zijn. Het kind van eiser woont in Turkije en niet in Nederland, waardoor het kind niet het grondgebied van de Europese Unie hoeft te verlaten. De minister heeft eiser niet gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is.
4. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat hij van mening is dat het bestreden besluit in strijd genomen is met het Unierecht, het Chavez-arrest, het Associatiebesluit en artikel 8 van Pro het EVRM. Ook is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord. Dit is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgronden op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. Ook de stelling van eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord is niet onderbouwd. De gemachtigde van eiser en eiser zelf zijn ook niet naar de zitting gekomen, waardoor eiser ook daar zijn beroepsgronden niet heeft toegelicht. De rechtbank ziet in het ingestelde beroep dan ook geen reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ook ambtshalve oordelend ziet de rechtbank hiervoor geen reden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank/ voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
griffier
(voorzieningen)rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
4.Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie.