Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 12 november 2024 en had zes maanden om te beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister tijdig in gebreke op 14 oktober 2025 en diende daarna binnen twee weken beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag vertraging met een maximum van € 15.000,-. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- wegens inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 15 april 2026.