De minister heeft op 9 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder zitting.
Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister meerdere keren contact heeft gezocht met de Marokkaanse autoriteiten voor het verkrijgen van een laissez passer, maar nog geen bericht heeft ontvangen dat dit niet zal worden afgegeven. Eiser weigert terug te keren naar Marokko en heeft onvoldoende medewerking verleend aan het verkrijgen van benodigde documenten voor uitzetting.
De rechtbank oordeelt dat er voldoende zicht is op uitzetting en dat de minister voortvarend handelt. De door eiser aangevoerde omstandigheden zoals detentiebelasting, slaapproblemen en verblijf bij vrienden rechtvaardigen geen lichter middel. Ook is de maatregel tot het moment van onderzoek niet onrechtmatig geweest.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.