Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.15757
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en zicht op uitzetting naar Marokko

De minister heeft op 9 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder zitting.

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister meerdere keren contact heeft gezocht met de Marokkaanse autoriteiten voor het verkrijgen van een laissez passer, maar nog geen bericht heeft ontvangen dat dit niet zal worden afgegeven. Eiser weigert terug te keren naar Marokko en heeft onvoldoende medewerking verleend aan het verkrijgen van benodigde documenten voor uitzetting.

De rechtbank oordeelt dat er voldoende zicht is op uitzetting en dat de minister voortvarend handelt. De door eiser aangevoerde omstandigheden zoals detentiebelasting, slaapproblemen en verblijf bij vrienden rechtvaardigen geen lichter middel. Ook is de maatregel tot het moment van onderzoek niet onrechtmatig geweest.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.15757
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Jankie),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: ).

Procesverloop

De minister heeft op 9 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister is verzocht om een verweerschrift maar heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 februari 2026 (in de zaak NL26.7236) volgt dat de
maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over wat eiser in beroep heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
5. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 20 februari 2026 (NL26.7236) al heeft overwogen is het zicht op uitzetting naar Marokko is in beginsel aanwezig. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat de minister op 18 februari 2026 een aanvraag voor de afgifte van een laissez passer (lp) heeft doorgeleid naar de Marokkaanse autoriteiten. Tevens heeft de minister op 19 februari 2026 en 12 maart 2026 gerappelleerd bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp. Tot op heden heeft de minister geen bericht van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen dat geen lp zal worden afgegeven. Daarnaast heeft de minister op 11 februari 2026 en 13 maart 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit de verslagen van deze vertrekgesprekken blijkt dat eiser niet wenst terug te keren naar Marokko. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en om ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko in eisers geval of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Het enkele feit dat eiser eerder in bewaring heeft gezeten doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Detentiegeschiktheid

6. Voor wat eiser in dit kader heeft aangevoerd, te weten dat hij detentie als zwaar ervaart en slaapproblemen heeft, overweegt de rechtbank dat deze enkele stelling niet maakt dat hij niet in bewaring kan blijven dan wel dat hij detentieongeschikt is. Eiser heeft dit niet met documenten onderbouwd. Evenmin zijn voor zo'n oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
7. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat hierover is overwogen in de uitspraak van 20 februari 2026 (NL26.7236), rechtsoverweging 6. In wat eiser nu opnieuw aanvoert, te weten dat hij bij vrienden kan verblijven, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven. Verder is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser, dat hij geen crimineel is en ook niet zo behandeld wil worden, geen omstandigheid is op grond waarvan de minister een lichter middel moet toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging

8. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.