Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9232

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.32485
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing faciliterend visum wegens onjuist peilmoment en onvoldoende voortvarendheid

Eiseres, met de Somalische nationaliteit en minderjarig ten tijde van haar visumaanvraag, verzocht om een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro om bij haar moeder in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres inmiddels meerderjarig was en niet meer aan de voorwaarden voldeed. De rechtbank oordeelt dat de minister onjuist het peilmoment van de beoordeling hanteerde; dit had het moment van de aanvraag moeten zijn, waarop eiseres nog minderjarig was.

Daarnaast heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld, wat heeft geleid tot onnodige vertragingen buiten schuld van eiseres. Hierdoor werd zij onterecht gescheiden van haar gezin. De rechtbank stelt vast dat er geen contra-indicaties waren die het verlenen van het visum konden verhinderen en dat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van het juiste peilmoment en voortvarendheid bij beslissingen over verblijfsrechten van minderjarigen.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van het faciliterend visum wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32485

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro. [1] Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente Sahra Mohamud Mohamed, de gemachtigde van eiseres, M. Gure als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Referente heeft de Somalische nationaliteit en is gehuwd met een Nederlandse man. Samen hebben zij kinderen met de Nederlandse nationaliteit. Aan referente is op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez verblijfsrecht bij haar kinderen in Nederland verleend. Referente heeft echter ook een kind uit een vorige relatie, namelijk eiseres. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2005. De vader van eiseres is op [overlijdensdatum] 2007 overleden tijdens een auto-ongeluk en eiseres is door referente opgevoed. Eiseres was nog minderjarig op het moment dat referente naar Nederland vertrok op 27 februari 2019, maar is achtergebleven omdat eiseres geen Nederlandse verblijfsvergunning had. Op 14 juni 2021 heeft eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ ingediend, die op 29 september 2021 is afgewezen. Daarbij is geconcludeerd dat niet aan de voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan omdat het gezinslid waarbij verblijf wordt beoogd in het bezit moet zijn van de Nederlandse nationaliteit of een verblijfsdocument op grond van een niet-tijdelijk verblijfsrecht moet hebben. Bij besluit van 9 mei 2022 is de minister bij dat besluit gebleven, omdat het Chavez-Vilchez verblijfsrecht van referente als een tijdelijk verblijfsrecht bij haar kinderen wordt aangemerkt en daarom niet voldoet. [2] In dat besluit heeft de minister ook vastgesteld dat eiseres rechtmatig in Nederland mag verblijven bij haar moeder (referente) op grond van artikel 20 VWEU Pro en is haar geadviseerd een aanvraag voor een ‘Schengenvisum kort verblijf’ in te dienen om vervolgens in Nederland een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in te dienen. Op 11 augustus 2022 heeft eiseres verzocht om hulp bij de afgifte van het visum, omdat de beschikking van 9 mei 2022 volgens de ambassade in Kenia niet volledig is. De minister heeft daarop navraag gedaan bij de desbetreffende ambassade en aan eiseres kenbaar gemaakt dat er een afspraak moet worden gemaakt bij de ambassade. Op 1 november 2022 heeft eiseres vervolgens onderhavige visumaanvraag gedaan onder vermelding van het reisdoel dat zij haar moeder wil bezoeken. Die aanvraag is op 17 januari 2023 afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en onvoldoende informatie is verstrekt om vast te stellen of aan alle voorwaarden is voldaan. Op 25 juli 2024 is een beslissing op bezwaar genomen die later is ingetrokken. In het bestreden besluit van 24 juni 2025 is het bezwaar ongegrond verklaard omdat eiseres niet meer minderjarig is en daarmee niet aan de voorwaarden voldoet. Ook is geconcludeerd dat op basis van een ex nunc-toets niet is gebleken dat eiseres als meerderjarige zodanig afhankelijk is van referente dat aan haar op dit moment nog een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro toekomt. Dat is getoetst conform het arrest K.A. [3]
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres stelt primair dat het faciliterend visum al is ingewilligd in het besluit van 9 mei 2022, alleen wordt de feitelijke afgifte niet uitgevoerd. Sindsdien is ze aan het lijntje gehouden en kreeg ze geen hulp. Ook is sprake van verwijtbaar handelen door de minister. Er is meerdere keren gevraagd om een spoedbeslissing, maar dat is niet gebeurd. Het besluit van 25 juli 2024 is ingetrokken en pas een jaar later is er een nieuwe beslissing genomen. Daaruit blijkt dat de minister niet wil meewerken. De peildatum moet het moment van de aanvraag van het mvv of het moment van de aanvraag van het faciliterend visum zijn. Op die beide momenten was eiseres nog minderjarig. Eiseres trekt daarmee een parallel met jurisprudentie over nareis, omdat eiseres niet afhankelijk mag worden van traagheid in de besluitvorming. Het is aan de minister en de ambassade te wijten dat het visum niet is afgegeven, dus kunnen de voorwaarden niet aan haar worden tegengeworpen. Eiseres wijst ook op IB 2023/31 waaruit volgt dat als ambtshalve bij beschikking is vastgesteld dat ze verblijfsrecht heeft, een visum wordt verstrekt tenzij er contra-indicaties zijn. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in het arrest K.A. omdat zij door de minister onnodig lang van haar gezin is gescheiden.
Het standpunt van de minister
5. De minister stelt over de primaire beroepsgrond dat uit het besluit van 9 mei 2022 niet volgt dat het visum al is ingewilligd. In IB 2023/31 staat op pagina 14/15 ook dat als een visum wordt verstrekt, er nog een aanvraag om toetsing aan het EU-recht moet worden ingediend. Dat kan worden afgewezen als er contra-indicaties zijn of als de omstandigheden zijn gewijzigd. Er zijn weliswaar geen contra-indicaties maar de omstandigheden zijn wel gewijzigd. Verder stelt de minister dat niet verwijtbaar is gehandeld, omdat niet is onderbouwd dat de minister of de ambassade eiseres hebben tegengewerkt bij de aanvragen. Verder betreft het een ex-nunc beoordeling. Uit IB 2023/31 volgt ook dat het peilmoment het moment van beslissen is en dat volgt ook uit vaste jurisprudentie. Op het moment van beslissen was eiseres meerderjarig. Over het subsidiaire punt stelt de minister de afhankelijkheid niet is gebleken. Niet is onderbouwd dat eiseres financieel, emotioneel en voor haar ontwikkeling nog afhankelijk is van referente. Dat is ook niet aannemelijk want referente kreeg op 14 januari 2020 een verblijfsvergunning en er is pas op 16 juni 2021 een mvv aanvraag ingediend voor eiseres.
Het oordeel van de rechtbank
Is het juiste peilmoment gehanteerd?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit had moeten uitgaan van de leeftijd van eiseres ten tijde van het indienen van de aanvraag op 1 november 2022. De rechtbank ziet voor het hanteren van deze peildatum aanknopingspunten in bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024. [4] In die uitspraak gaat het om de ingangsdatum van het verstrekken van een artikel 9 document Pro ten behoeve van een vreemdeling die bij zijn minderjarige zoon in Nederland wil verblijven. De Afdeling wijst in die uitspraak op andere uitspraken van de Afdeling waaruit volgt dat de minister niet bevoegd is om de ingangsdatum van een afgeleid verblijfsrecht op verzoek van een vreemdeling vast te stellen, maar oordeelt eveneens dat het ontbreken van deze bevoegdheid niet betekent dat de minister niet gehouden is om op grond van afdeling 3.2 van de Awb [5] vast te stellen met ingang van welke datum een afgeleid verblijfsrecht feitelijk bestaat. Uit overwegingen 4.2. en 4.3. van die uitspraak kan verder worden afgeleid dat de minister in beginsel mag uitgaan van de datum waarop een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij een afgeleid verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent en dat dat de datum is waarop de vreemdeling de daarmee verband houdende aanvraag heeft ingediend.
6.1.
De rechtbank ziet in deze zaak geen aanknopingspunten om anders te oordelen dan het oordeel van de Afdeling in de bovengenoemde uitspraak van 26 juni 2024. Dat betekent dat de minister in het bestreden besluit bij zijn beoordeling uit moet gaan van de datum van de aanvraag van eiseres en daarom ook van de relevante feiten en omstandigheden ten tijde van de datum van de aanvraag van 1 november 2022. De minister heeft dit ten onrechte niet gedaan.
6.2.
Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.
Kan het gebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb?
7. De rechtbank ziet geen aanleiding het gebrek te passeren en overweegt daartoe het volgende.
7.1.
In de beschikking van 9 mei 2022 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zonder voorbehouden vastgesteld dat eiseres rechtmatig in Nederland mag verblijven op grond van het EU-recht. Uit IB 2023/31, pagina 14, waar de Minister ook naar verwijst, volgt dat gelet op het feit dat de verblijfsaanspraken al bij beschikking zijn vastgesteld, het faciliterend visum zal worden verstrekt, tenzij alsnog sprake blijkt te zijn van contra-indicaties. Bij aankomst in Nederland dient eiseres een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in te dienen. Gelet op het feit dat het verblijfsrecht al bij beschikking is vastgesteld, zal die aanvraag worden ingewilligd, tenzij alsnog sprake blijkt te zijn van contra-indicaties of als blijkt dat niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
7.2.
Uit het voorgaande volgt dat van verstrekking van het visum alleen wordt afgezien als sprake is van contra-indicaties (zoals een gevaar voor de openbare orde). De minister heeft in het verweerschrift echter erkend dat er geen sprake is van contra-indicaties. Het lag daarom in de rede aan eiseres op haar aanvraag van 1 november 2022 een faciliterend visum te verstrekken.
7.3.
Doordat de Minister heeft gewacht met het beslissen op de aanvraag van eiseres, was zij meerderjarig op het moment dat de Minister het besluit op de visumaanvraag nam, en heeft de Minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet (meer) in aanmerking kwam voor een aan artikel 20 van Pro het VWEU ontleend afgeleid verblijfsrecht. De rechtbank is echter van oordeel dat het peilmoment het moment van de aanvraag is. De minister had dus naar de leeftijd van eiseres ten tijde van de aanvraag had moeten kijken en toen was zij zeventien jaar en daarmee minderjarig.
Ook acht de rechtbank van belang dat de Minister zich geen rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat eiseres voor het eerst een MVV heeft aangevraagd op 14 juni 2021, die door de Staatssecretaris is afgewezen op 29 september 2021. Eiseres was toen nog maar 16 jaar. De Minister heeft ten onrechte geen gevolgen verbonden aan de diverse vertragingen die in de procedures zijn ontstaan, buiten de schuld van eiseres om. Immers geldt dat eiseres ook ten tijde van de afwijzing van de mvv-aanvraag al verblijfsrecht kon ontlenen aan artikel 20 van Pro het VWEU, maar dat in het besluit in primo niet is gekeken naar artikel 20 VWEU Pro. In de beslissing op bezwaar van 9 mei 2022 is dat hersteld en geconcludeerd dat eiseres geen verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, maar wel rechtmatig in Nederland mag verblijven op grond van artikel 20 VWEU Pro. Daarmee is voor eiseres echter wel een extra vertraging van meer dan zeven maanden ontstaan. De minister heeft daarnaast niet betwist dat de ambassade in Kenia ook voor vertraging heeft gezorgd, terwijl het declaratoire verblijfsrecht van eiseres reeds bij beschikking was vastgesteld. Als vervolgens tijdig op de aanvraag over het visum was beslist (binnen 15 kalenderdagen) en binnen zes weken op het bezwaar zou zijn beslist, was eiseres nog steeds minderjarig geweest ten tijde van het bestreden besluit. De minister is verplicht voortvarend te handelen in geval van een minderjarige. Gelet op het hiervoor omschreven procedure-verloop kan niet worden gezegd dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Ten overvloede merkt dat de rechtbank op dat eiseres naar haar indruk op schrijnende wijze tussen wal en schip is geraakt. Eiseres is nu weliswaar volwassen, maar referente is sinds het moment dat eiseres 16 jaar was bezig geweest met proberen met haar te herenigen. Zij is benadeeld doordat de procedure over de mvv-aanvraag is ingetrokken nadat door de Staatssecretaris was vermeld dat eiseres een faciliterend visum zou krijgen, terwijl die procedure tot een andere uitkomst had kunnen leiden omdat het verblijfsrecht van referente nu niet meer als tijdelijk wordt aangemerkt. Als de Minister aan de andere kant tijdig had beslist op de visumaanvraag, had eiseres daardoor naar Nederland kunnen komen en was zij in Nederland als minderjarige deel gaan uitmaken van haar gezin, waardoor zij naar alle waarschijnlijkheid in aanmerking was gekomen voor voortgezet verblijf bij haar gezin, bijvoorbeeld op grond van artikel 20 van Pro het VWEU of van artikel 8 EVRM Pro.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van de proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een bezwaarschrift en een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (met een waarde per punt van € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 juni 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.(en omdat niet aan het middelenvereiste is voldaan).
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 juni 2018 in de zaak K.A. tegen België, ECLI:EU:C:2018:308.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak vna de Raad van State (Afdeling) van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2540.
5.Algemene wet bestuursrecht.