Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11944364
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P.C. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:52 BWArt. 6:59 BWArt. 6:60 BWArt. 6:262 BWArt. 6:265 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens schuldeisersverzuim bij financiële lease auto

In deze zaak gaat het om een financiële leaseovereenkomst waarbij de schuldenaar een bedrijfsauto financierde met een krediet van de leasemaatschappij. Na betalingsachterstanden in 2023 eiste de leasemaatschappij het krediet op en vorderde zij de auto terug. In oktober 2024 sloten partijen een betalingsregeling waarbij de schuldenaar maandelijks € 1.000 moest betalen, waarmee de vordering niet opeisbaar was zolang aan de regeling werd voldaan.

In januari 2025 werd de auto door de Bulgaarse politie in beslag genomen op basis van een als vermist gesignaleerde auto, waarna de leasemaatschappij de auto terughaalde en later verkocht, ondanks dat de schuldenaar niet in verzuim was. De rechtbank oordeelt dat de leasemaatschappij door de onrechtmatige inname en verkoop in schuldeisersverzuim is geraakt, waardoor de schuldenaar niet in verzuim kon zijn en de vordering niet opeisbaar was.

De leasemaatschappij had geen grondslag om de auto in te nemen en te verkopen en kon de resterende kosten en vordering niet op de schuldenaar verhalen. De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt de leasemaatschappij in de proceskosten. De schuldenaar wordt op grond van artikel 6:60 BW Pro bevrijd van zijn betalingsverplichting wegens het schuldeisersverzuim.

Uitkomst: De vordering van de leasemaatschappij wordt afgewezen wegens schuldeisersverzuim, waardoor de schuldenaar van zijn betalingsverplichting is bevrijd.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
MvE (B/C)
Zaaknummer: 11944364 \ RL EXPL 25-20343
Vonnis van 16 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., handelend onder [handelsnaam 2] te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde], handelend onder [handelsnaam 1] te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. S. Fattah.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025 met productie 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord van 9 september 2025 met productie 1 tot en met 3;
- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties van [eiseres] genummerd 6 tot en met 12;
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling was namens [eiseres] aanwezig mr. H.J.M. Hofman, werkzaam bij [deurwaarderskantoor] Wisseborn Gerechtsdeurwaarders. [gedaagde] was aanwezig samen met mr. Fattah.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In 2020 heeft [gedaagde] een bedrijfsauto (Mercedes V-Klasse) gekocht. Een gedeelte van de koopprijs (€ 22.950,00) heeft [gedaagde] gefinancierd met een krediet van [eiseres].
2.2.
De daaraan ten grondslag liggende overeenkomst is ondertekend op 21 april 2020 (verder: de ‘leaseovereenkomst’). In de leaseovereenkomst staat dat [gedaagde] het geleende bedrag, vermeerderd met een kredietvergoeding van € 7.333,20, derhalve in totaal een bedrag van € 30.263,20, in zestig opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 389,72 aan [eiseres] moet (terug)betalen. Verder staat in de leaseovereenkomst dat de auto eigendom is van [eiseres] en dat de eigendom op [gedaagde] overgaat als hij alles heeft betaald.
2.3.
In 2023 is [gedaagde] gedurende meerdere maanden in verzuim geraakt met zijn betalingsverplichtingen. In verband hiermee heeft [eiseres] in januari 2024 het krediet opgeëist. In een brief van [eiseres] van 11 januari 2024 staat dat [gedaagde] het openstaande saldo van € 19.943,87 uiterlijk op 15 januari 2024 moet betalen. Verder staat in deze brief dat als [gedaagde] hieraan niet voldoet, de leaseovereenkomst per direct zal worden ontbonden en dat [gedaagde] de auto moet inleveren om [eiseres] in de gelegenheid te stellen de auto te verkopen (en de verkoopopbrengst te verrekenen met de vordering van [eiseres]).
2.4.
Nadat [gedaagde] de vordering onbetaald liet en de auto, hoewel daartoe verzocht, niet inleverde bij [eiseres], heeft [eiseres] bij de politie aangifte gedaan van verduistering en de zaak in handen gegeven van [deurwaarderskantoor].
2.5.
In oktober 2024 hebben partijen een regeling getroffen. In de brief [deurwaarderskantoor] van 31 oktober 2024, waarin deze regeling is vastgelegd, staat:
Aan deze regeling zijn enkele voorwaarden verbonden die wij voor u op een rijtje zetten. Als eerste geldt dat u telkens stipt moet betalen, anders zal de regeling direct komen te vervallen en zal de vordering dan weer opeisbaar zijn. (…) Als tweede geldt dat de regeling tussentijds wordt bekeken. Om de zes maanden kan contact met u worden gelegd om te zien of de regeling kan worden aangepast. (…)
De inhoud van de regeling luidt: € 1.000,00 per maand met ingang van 28/11/2024.
2.6.
In oktober, november en december 2024 heeft [gedaagde] iedere maand € 1.000,00 betaald.
2.7.
In januari 2025 is [gedaagde] aan de Bulgaarse grens door de Bulgaarse politie met de auto staande gehouden. De auto bleek naar aanleiding van de aangifte ook in het politiesysteem van Bulgarije als vermist te zijn gesignaleerd. De Bulgaarse politie heeft [eiseres] toen in de gelegenheid gesteld de auto op te (laten) halen, wat [eiseres] vervolgens ook heeft gedaan.
2.8.
Nog voordat de auto terug in Nederland was, heeft [gedaagde] contact gezocht met [deurwaarderskantoor] met het verzoek om de auto terug te krijgen, onder de toezegging dat hij de vordering van [eiseres] binnen drie maanden volledig zou voldoen.
2.9.
In een e-mail van 21 januari 2025 van [deurwaarderskantoor] aan [gedaagde] staat:
Onze cliënt heeft ons te kennen gegeven, dat na ontvangst van het voertuig, cliënte u eenmalig de kans geeft voor volledige inlossing per omgaande van het openstaande saldo, voordat het voertuig naar u teruggaat.
2.10.
In een e-mail van 18 februari 2025 van [deurwaarderskantoor] aan [gedaagde] staat:
Cliënte is bereid het voertuig aan u terug te geven indien de gehele vordering binnen drie maanden zal worden voldaan.
(…)
Bovenstaand bedrag [€ 18.298,17, toevoeging kantonrechter] dient dan uiterlijk op 18/5/2025 volledig zijn voldaan.
2.11.
In een brief van 22 februari 2025 van [deurwaarderskantoor] aan [gedaagde] staat:
In dit dossier is met u een betalingsreling afgesproken, maar die wordt door u niet (op tijd) nagekomen. De regeling is daarom komen te vervallen.
Het restant van de vordering is daarom in zijn geheel ineens opeisbaar geworden en wij hebben namens onze opdrachtgever de opdracht gekregen verdere maatregelen tegen u te nemen.
2.12.
Vervolgens (op een moment vóór 18 mei 2025, de datum waarop [gedaagde] de vordering van [eiseres] (€ 18.298,17) moest voldoen heeft [eiseres] de auto op een openbare veiling verkocht. Op deze veiling heeft [gedaagde] de auto zelf gekocht.

3.Het geschil

3.1.
Dutch Finance vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.638,17, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Dutch Finance legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is de betalingsregeling van oktober 2024 niet correct nagekomen. Na december 2024 is hij gestopt met betalen. Op die grond heeft [eiseres] de betalingsregeling ontbonden en is haar vordering volledig opeisbaar geworden. Daarnaast heeft [eiseres] recht op betaling van de transportkosten om de auto vanuit Bulgarije naar Nederland te krijgen (€ 5.360,30), de veilingkosten (€ 339,00), de buitengerechtelijke incassokosten (€ 3.149,71) en de rente over de hoofdsom tot en met 13 oktober 2025 (€ 1.435,33). Na aftrek van de verkoopopbrengst van de auto resteert een door [gedaagde] te betalen bedrag van € 7.638,17.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Dutch Finance, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Dutch Finance, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Dutch Finance in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Kern van het geschil
4.2.
Dat [eiseres] begin 2024 vanwege de betalingsachterstand reden had om de leaseovereenkomst te ontbinden en het krediet op te eisen, is niet in geschil. Evenmin staat ter discussie dat [gedaagde] op grond van de leaseovereenkomst vervolgens verplicht was om de auto bij [eiseres] in te leveren. Toen hij daaraan ten onrechte niet voldeed, had [eiseres] aanleiding om de auto in (internationale) politiesystemen als verduisterd te laten signaleren. Ook dat is niet in geschil. Wel moet worden beoordeeld of [eiseres], toen de Bulgaarse politie [gedaagde] in januari 2025 van de weg haalde – gelet op de in oktober 2024 getroffen regeling – nog gerechtigd was om de auto in te nemen en vervolgens te verkopen. In het verlengde hiervan is in geschil of [eiseres] in deze procedure recht heeft op betaling van de door haar ingestelde vordering. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
De regeling van oktober 2024
4.3.
Uit de brief van [deurwaarderskantoor] van 31 oktober 2024 volgt dat, zolang [gedaagde] aan zijn verplichtingen zou voldoen, het eerder nog volledig opgeëiste krediet niet meer opeisbaar was. Alleen als [gedaagde] opnieuw in verzuim zou raken met zijn maandelijkse betalingsverplichting (€ 1.000,00 per maand), zou de regeling vervallen en de vordering van [eiseres] opnieuw opeisbaar worden. Volgens de ter zitting namens [eiseres] gegeven toelichting was de regeling erop gericht om het krediet vervroegd af te lossen (€ 1.000,00 in plaats van € 389,72 per maand) en zou de auto daarna alsnog in eigendom overgaan op [gedaagde].
4.4.
De kantonrechter leidt hieruit af dat [eiseres] met deze regeling onder de genoemde condities afstand heeft gedaan van de rechtsgevolgen van de eerder door haar ingeroepen ontbinding van de leaseovereenkomst. Als [gedaagde] aan zijn (aanvullende) betalingsverplichtingen zou blijven voldoen, zou kennelijk de leaseovereenkomst alsnog worden uitgediend.
4.5.
Toen [gedaagde] in januari 2025 van de weg werd gehaald, was hij bij met betalen. [gedaagde] had al drie maandtermijnen van € 1.000,00 voldaan en van enig verzuim was geen sprake. Dat betekent dat [eiseres] op dat moment geen grondslag had om de auto in te nemen. Door dat toch te doen, gaf [eiseres] aan [gedaagde] reden om zijn betalingen te staken (opschorting in de zin van artikel 6:52 en Pro 6:262 BW). En daarmee raakte [eiseres] zelf in schuldeisersverzuim (artikel 6:59 BW Pro). Zolang een schuldeiser (in dit geval [eiseres]) in verzuim is, kan een schuldenaar (in dit geval [gedaagde]) zelf niet in verzuim raken. Dat [gedaagde] na december 2024 stopte met zijn maandelijkse betalingen bracht hem dus niet in verzuim. En verzuim is wel een voorwaarde om een overeenkomst, in dit geval de regeling van oktober 2024, te kunnen ontbinden (artikel 6:265 lid 2 BW Pro). Dat betekent dat [eiseres] op 22 februari 2025 niet bevoegd was om de regeling van oktober 2024 te ontbinden en haar vordering op [gedaagde] volledig op te eisen.
4.6.
De stelling van [eiseres] dat zij ondanks de regeling van oktober 2024 bevoegd bleef om de auto in te nemen, te verkopen en de opbrengst daarvan te verrekenen met haar vordering, vindt geen steun in de brief van 31 oktober 2024 waarin de regeling schriftelijk is vastgelegd. Integendeel, daar staat namelijk juist uitdrukkelijk dat, zolang [gedaagde] tijdig betaalt, de vordering van [eiseres] niet opeisbaar is. Zij had dus geen grondslag om de auto in te nemen en haar – niet opeisbare – vordering uit de verkoopopbrengst te voldoen. Bovendien staat deze visie haaks op de ter zitting namens [eiseres] gegeven toelichting op de bedoeling van de regeling, namelijk dat [gedaagde] het krediet vervroegd zou aflossen om daarna eigenaar te worden van de auto. Bij deze opzet past het niet om de auto alsnog tussentijds in te nemen en te verkopen.
4.7.
Voor zover [eiseres] op de mondelinge behandeling (subsidiair) nog heeft bepleit dat de inname van de auto louter een actie was van de Bulgaarse politie en niet aan [eiseres] kan worden toegerekend, gaat dat verweer niet op. [eiseres] is voor de gang van zaken wel degelijk verantwoordelijk. Zij heeft na de regeling van oktober 2024 kennelijk nagelaten de signalering ongedaan te maken, met als gevolg dat [gedaagde] van de weg werd gehaald. Dat is nog tot daaraan toe, maar toen de Bulgaarse politie [eiseres] daarvan in kennis stelde, had zij ook de mogelijkheid om de auto weer aan [gedaagde] te laten vrijgeven. Dat heeft zij niet gedaan. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiseres] juist bewust heeft besloten om de auto in Bulgarije te laten ophalen en in te nemen.
De regeling van februari 2025
4.8.
De handelwijze van [eiseres], in het bijzonder de verkoop van de auto medio maart 2025, is ten slotte ook niet te rijmen met de regeling die partijen in februari 2025 hebben getroffen. Die regeling was er – na de eerdere onterechte inname van de auto –opnieuw op gericht om [gedaagde] in staat te stellen het krediet vervroegd af te lossen en daarbij de eigendom van de auto te verkrijgen. [gedaagde] kreeg daartoe een termijn tot 18 mei 2025. Dat [eiseres] meende de auto vóór deze datum te mogen verkopen, kan de kantonrechter niet volgen. Ook toen was [gedaagde] (nog steeds) niet in verzuim en had [eiseres] dus geen grondslag om de vordering op te eisen en de auto ter voldoening daarvan te verkopen. Haar stelling dat [gedaagde] ondanks de in februari 2025 getroffen regeling wel verplicht bleef om iedere maand € 1.000,00 te betalen, valt uit de schriftelijke vastlegging van de regeling (de e-mails hiervoor in punt 2.9 en 2.10) niet af te leiden.
Slotsom
4.9.
De slotsom hiervan is als volgt. De door [eiseres] gevorderde transportkosten om de auto vanuit Bulgarije naar Nederland te krijgen (€ 5.360,30) en de veilingkosten (€ 339,00) kunnen gelet op het voorgaande hoe dan ook niet op [gedaagde] worden verhaald. Voor zover na aftrek hiervan uit hoofde van de leaseovereenkomst en/of de nader overeengekomen regeling nog enig bedrag resteert – gelet op de opstelling als hiervoor vermeld in punt 3.2 is dat in hoofdsom niet meer dan € 1.938,87 – is de vordering evenmin toewijsbaar. Als een schuldeiser in verzuim is, kan de rechter op grond van artikel 6:60 BW Pro op vordering van de schuldenaar bepalen dat de schuldenaar van zijn verbintenis is bevrijd. In hetgeen [gedaagde] bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd – te weten (i) dat [eiseres] de auto in strijd met de (laatst) getroffen regeling heeft verkocht, (ii) dat [gedaagde] als gevolg daarvan zijn verplichtingen niet meer kan nakomen, (iii) dat [gedaagde] financieel nadeel heeft ondervonden van de veilingverkoop en (iv) dat de vordering van [eiseres] daarom moet worden afgewezen – leest de kantonrechter een beroep op genoemd artikel. Dat beroep slaagt. Het schuldeisersverzuim van [eiseres] laat zich na de verkoop van de auto niet meer ongedaan maken en dan is bevrijding van de verbintenis (de resterende betalingsverplichting van [gedaagde]) een passende oplossing.
Proceskosten
4.10.
Dutch Finance is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Dutch Finance af,
5.2.
veroordeelt Dutch Finance in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dutch Finance niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.