Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 9 september 2025 met productie 1 tot en met 3;
- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
In deze zaak gaat het om een financiële leaseovereenkomst waarbij de schuldenaar een bedrijfsauto financierde met een krediet van de leasemaatschappij. Na betalingsachterstanden in 2023 eiste de leasemaatschappij het krediet op en vorderde zij de auto terug. In oktober 2024 sloten partijen een betalingsregeling waarbij de schuldenaar maandelijks € 1.000 moest betalen, waarmee de vordering niet opeisbaar was zolang aan de regeling werd voldaan.
In januari 2025 werd de auto door de Bulgaarse politie in beslag genomen op basis van een als vermist gesignaleerde auto, waarna de leasemaatschappij de auto terughaalde en later verkocht, ondanks dat de schuldenaar niet in verzuim was. De rechtbank oordeelt dat de leasemaatschappij door de onrechtmatige inname en verkoop in schuldeisersverzuim is geraakt, waardoor de schuldenaar niet in verzuim kon zijn en de vordering niet opeisbaar was.
De leasemaatschappij had geen grondslag om de auto in te nemen en te verkopen en kon de resterende kosten en vordering niet op de schuldenaar verhalen. De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt de leasemaatschappij in de proceskosten. De schuldenaar wordt op grond van artikel 6:60 BW Pro bevrijd van zijn betalingsverplichting wegens het schuldeisersverzuim.
Uitkomst: De vordering van de leasemaatschappij wordt afgewezen wegens schuldeisersverzuim, waardoor de schuldenaar van zijn betalingsverplichting is bevrijd.