Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.16802
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 11 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van stukken beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van bewaring tot het moment van een eerdere uitspraak op 5 februari 2026 rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank stelt echter vast dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt en dat de minister herhaaldelijk heeft gerappelleerd voor afgifte van een laissez passer. De minister is afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten voor het plannen van een presentatie.

Verder blijkt uit vertrekgesprekken dat eiser niet wenst terug te keren en onvoldoende meewerkt aan het verkrijgen van benodigde documenten. Het gebruik van meerdere aliassen bemoeilijkt het onderzoek. De rechtbank ziet daarom geen reden om te oordelen dat er geen zicht op uitzetting is of dat de minister onvoldoende handelt. De beroepsgronden falen en het beroep wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16802
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: ).

Procesverloop

De minister heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 februari 2026 (in de zaak NL26.4414) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er op neerkomt dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, overweegt de rechtbank als volgt.
Zicht op uitzetting en voortvarendheidsvereiste
5. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 5 februari 2026 heeft overwogen is het zicht op uitzetting naar Marokko is in beginsel aanwezig. De minister heeft dit in het verweerschrift nog nader onderbouwd. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens van 26 maart 2026 dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt en dat de minister laatstelijk op 19 februari 2026 en 12 maart 2026 heeft gerappelleerd bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp). Dat het onderzoek al enige tijd duurt is op zichzelf niet doorslaggevend. De minister heeft tot op heden geen bericht van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft het plannen van een presentatie afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten en hier beperkt invloed op kan uitoefenen. Verder heeft de minister op 9 februari 2026 en 12 maart 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit de verslagen van deze vertrekgesprekken blijkt dat eiser niet wenst terug te keren naar Marokko. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en om ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Eiser heeft geen documenten overgelegd en maakt, zo blijkt uit de voortgangsgegevens en het verweerschrift, gebruik van meerdere aliassen. Dit bemoeilijkt het onderzoek. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko in eisers geval of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij voorbereiding van eisers uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.