ECLI:NL:RBDHA:2026:9242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.18135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 10 november 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. Eiser stelde op 1 april 2026 beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De minister hief de maatregel op 9 april 2026 na een belangenafweging op.

De rechtbank had de maatregel al driemaal eerder getoetst en oordeelde dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 23 februari 2026 rechtmatig was. De beoordeling richtte zich daarom op de rechtmatigheid van de bewaring na die datum en de vraag of onrechtmatigheid bestond die schadevergoeding rechtvaardigt.

Eiser stelde dat er geen zicht meer was op uitzetting naar Algerije vanwege het uitblijven van een laissez-passer en dat de minister onvoldoende had gedaan om de uitzetting te bevorderen. De rechtbank oordeelde echter dat zicht op uitzetting niet ontbrak, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie. De minister had voldoende voortvarend gehandeld, onder meer door vertrekgesprekken en rappelleren van de lp-aanvraag.

De belangenafweging van 9 april 2026, waarbij de maatregel werd opgeheven, was naar het oordeel van de rechtbank niet te vroeg. Er waren geen feiten die een eerdere opheffing rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18135

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. De minister heeft op 10 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft op 1 april 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 9 april 2026, na een belangenafweging, opgeheven.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen via een telefoonverbinding. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 februari 2026 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 23 februari 2026, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de bewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Hiertoe voert eiser aan dat er na de meest recente uitspraak van 24 februari 2026 geen sprake meer was van zicht op uitzetting, omdat nog steeds geen reactie van de Algerijnse autoriteiten was ontvangen op lp-aanvraag. Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij bereid is terug te keren en dat hij wil meewerken. Eiser stelt dat het argument dat de minister afhankelijk is van de medewerking van Algerije niet valide is. Daarnaast voert eiser aan dat de minister in de afgelopen maanden volstrekt onvoldoende heeft gedaan om de uitzetting te bevorderen. De minister had eerder op dossierniveau moeten informeren naar de stand van zaken en aandacht moeten vragen voor deze zaak. Tot slot voert eiser aan dat, gelet op het voorgaande, de minister al eerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [3] van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp [5] voor eiser te zullen verstrekken. Het lp-traject liep bovendien niet dusdanig lang dat dit de conclusie rechtvaardigt dat er alleen daarom al geen sprake meer was van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
5.1.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat op 9 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en dat op 12 maart 2026 is gerappelleerd ten aanzien van de lp-aanvraag. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te concluderen dat de minister op dossierniveau had moeten rappelleren.
5.2.
In het kader van de verzwaarde belangenafweging heeft de minister op de zitting toegelicht dat op 9 april 2026 een belangenafweging is gemaakt en deze in het voordeel van eiser heeft laten uitvallen, waarna de maatregel is opgeheven. De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen.
5.3.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 23 februari 2026 op enig moment onrechtmatig was. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Laissez-passer.
6.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).