Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 10 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. Zij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De bewaring werd op 25 maart 2026 opgeheven na verlening van een verblijfsvergunning.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 16 maart 2026, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiseres voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was, onder meer omdat de asielstatus later werd toegekend en de detentie ingrijpend was.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de bewaring handhaafde tot de verblijfsvergunning werd verleend, omdat een gedegen beoordeling noodzakelijk is en er geen aanwijzingen waren om de bewaring eerder te beëindigen. De duur van de bewaring was niet langer dan vier weken en de belangenafweging rechtvaardigde de maatregel.
Daarom was de bewaring niet onrechtmatig en faalde het beroep. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.