Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.17233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 10 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. Zij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De bewaring werd op 25 maart 2026 opgeheven na verlening van een verblijfsvergunning.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 16 maart 2026, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiseres voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was, onder meer omdat de asielstatus later werd toegekend en de detentie ingrijpend was.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de bewaring handhaafde tot de verblijfsvergunning werd verleend, omdat een gedegen beoordeling noodzakelijk is en er geen aanwijzingen waren om de bewaring eerder te beëindigen. De duur van de bewaring was niet langer dan vier weken en de belangenafweging rechtvaardigde de maatregel.

Daarom was de bewaring niet onrechtmatig en faalde het beroep. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17233
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

De minister heeft op 10 maart 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd waaruit blijkt dat op 25 maart 2026 de maatregel van bewaring is opgeheven in verband met de verlening van een verblijfsvergunning aan eiseres op diezelfde datum. De minister heeft ook een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 maart 2026 (in de zaken NL26.12479 en NL26.13339) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 16 maart 2026.
4. Eiseres voert - samengevat - het volgende aan. Primair is eiseres van mening dat verweerder haar ten onrechte in bewaring heeft genomen gelet op de latere toekenning van de asielstatus zodat haar een schadevergoeding toekomt vanaf 10 maart 2026. Subsidiair is eiseres van mening dat er aanleiding is om haar een schadevergoeding toe te kennen vanaf de datum waarop het voor verweerder duidelijk was wat de grondslag was voor het verzoek om internationale bescherming, namelijk op 18 maart 2026. Meer subsidiair is het standpunt van eiseres dat vanaf het moment waarop voor verweerder alle relevante informatie beschikbaar was, achteraf gezien het detineren van eiseres die internationale bescherming verkregen heeft te fors is geweest. De detentie en de overplaatsing zijn voor eiseres ingrijpende maatregelen geweest. Verzocht wordt dan ook om daarom een schadevergoeding toe te kennen vanaf 21 dan wel 22 maart 2026 tot het moment van daadwerkelijke opheffing van de maatregel op 25 maart 2026.
5. De rechtbank verwijst allereerst naar haar eerdere uitspraak van 20 maart 2026 (in de zaken NL26.12479 en NL26.13339), waarin is geoordeeld dat de minister zich, gelet op de gronden die met juistheid aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast en dat het risico dat eiseres zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken, onverkort aanwezig is. De minister heeft in zijn verweerschrift van 1 april 2026 verder toegelicht dat eiseres op 9 maart 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en de minister - na onderzoek - bij het besluit van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de problemen die eiseres ten grondslag heeft gelegd aan haar asielaanvraag geloofwaardig waren en eiseres om die reden in het bezit heeft gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft toegelicht dat niet op voorhand is in te zien dat een ingediende asielaanvraag zonder meer tot inwilliging leidt maar dat de minister daarvoor eerst een deugdelijke beoordeling moet kunnen maken. De asielaanvraag van eiseres is op 25 maart 2026 ingewilligd en de minister heeft eveneens op 25 maart 2026 de maatregel van bewaring van eiseres opgeheven.
6. De rechtbank is met de minister van oordeel dat er geen grond was om de bewaring eerder op te heffen dan op het moment dat de asielvergunning werd verleend. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat aan de beslissing over een asielvergunning een gedegen onderzoek ten grondslag mag en moet liggen en dat er in dit geval geen aanknopingspunten waren om de bewaring in verband daarmee eerder op te heffen. Het doen van een asielaanvraag of het geven van een asielrelaas in een gehoor zijn daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de - niet nader onderbouwde – stellingen van eiseres over de ingrijpendheid van de bewaring. De rechtbank constateert dat de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, in casu niet langer heeft geduurd dan vier weken. Ook gelet op de duur van de van deze bewaring bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet
gerechtvaardigd was, dan wel de bewaring op een eerder moment had moeten worden opgeheven.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van de bewaring tot het moment van de opheffing daarvan niet op enig moment onrechtmatig was.
8. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing rechtmatig heeft voortgeduurd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.