Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit, een besluit tot signalering en een zwaar inreisverbod van tien jaar, opgelegd op 23 juli 2025. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting naar China te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelt dat er weliswaar sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande uitzetting op 16 april 2026, maar dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een verblijfsrecht in Polen heeft, noch dat er sprake is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in Spanje. De overgelegde documenten zijn onvoldoende geverifieerd en de verklaringen van verzoeker zijn inconsistent. Daarnaast is het terugkeerbesluit voldoende gemotiveerd, mede vanwege de ernst van het gepleegde misdrijf (hennephandel) en de opgelegde straf.
De minister heeft terecht een zwaar inreisverbod en signalering opgelegd, en er zijn geen zwaarwegende belangen die verzoeker toestaan de beroepsprocedure in Nederland af te wachten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de minister verzoeker mag uitzetten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.