Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister op 12 juni 2025 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 4 maart 2026 en oordeelde dat de minister terecht de verklaringen over problemen met de familie en man van eisers vriendin niet geloofwaardig achtte.
Echter, de rechtbank vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser als afvallige van de islam geen gegronde vrees voor vervolging zou hebben bij terugkeer naar Afghanistan. De minister had geen onderscheid gemaakt tussen het verblijf in Iran en Afghanistan en had de etniciteit en sociale controle onvoldoende betrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.