Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9283

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL25.27260
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 3 EVRMArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering gegronde vrees vervolging

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister op 12 juni 2025 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 4 maart 2026 en oordeelde dat de minister terecht de verklaringen over problemen met de familie en man van eisers vriendin niet geloofwaardig achtte.

Echter, de rechtbank vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser als afvallige van de islam geen gegronde vrees voor vervolging zou hebben bij terugkeer naar Afghanistan. De minister had geen onderscheid gemaakt tussen het verblijf in Iran en Afghanistan en had de etniciteit en sociale controle onvoldoende betrokken.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over gegronde vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27260

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C. R. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Malwand als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag -samengevat- het volgende ten grondslag. Eiser heeft het grootste deel van zijn leven illegaal in Iran gewoond. Daar leerde hij [naam] kennen, met wie hij een liefdesrelatie kreeg. Zij is met haar familie teruggegaan naar Afghanistan en is daar uitgehuwelijkt. Op een gegeven moment werd eiser weer uitgezet naar Afghanistan en is hij naar haar toegegaan. Eiser heeft een aantal keer in het geheim met [naam] afgesproken. Eisers relatie werd bekend doordat hij en [naam] samen buiten liepen en een bekende van [naam] tegenkwamen. Daarop hebben eiser en [naam] de beslissing gemaakt om te vluchten. De familie en man van [naam] gingen naar hen op zoek, waardoor ze Afghanistan wilden verlaten. Eiser is de grens met Iran overgestoken, maar [naam] is tijdens de reis naar Iran omgekomen. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser voor de familie en man van [naam] en de autoriteiten, omdat hij een relatie had met een getrouwde vrouw en zij vinden dat hij haar dood heeft veroorzaakt. Daar staat de doodstraf middels stenigen op. Eiser is ook afvallig van de islam en verwacht ook daardoor problemen bij terugkeer.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- afvalligheid van de islam;
- problemen met de familie en man van [naam].
4.1
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook de afvalligheid van de islam vindt de minister geloofwaardig.
4.2.
De problemen met de familie en man van [naam] vindt de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister verklaart eiser tegenstrijdig over het aantal motorrijders die hem hebben betrapt met zijn vriendin [naam]. Bovendien volgt de minister niet dat eiser niet oplette als hij buiten afsprak met [naam], terwijl hij wist dat het risicovol was om samen buiten te lopen. Verder verklaart eiser tegenstrijdig over het moment wanneer hij besloot Afghanistan te verlaten. Tot slot volgt de minister niet dat eiser wordt gezocht door de familie en man van [naam] of de Taliban.
4.3.
Ten aanzien van de geloofwaardig bevonden elementen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hieruit niet blijkt dat eiser kan worden aangemerkt als vluchteling of dat hij risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser heeft verklaard dat hij in Iran altijd deed alsof hij meedeed aan de islamitische leefregels en rituelen, maar probeerde er ook zo vaak als hij kon onderuit te komen, door bijvoorbeeld niet in de buurt te zijn van een moskee voor het gebed of anders een smoesje te verzinnen. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan niet weer zou kunnen doen alsof hij moslim is in het openbaar en in zijn privésfeer zijn afvalligheid gaat belijden. Eiser heeft verder verklaard dat hij in Afghanistan nooit heeft deelgenomen aan de islamitische leefregels en rituelen. Eiser geeft geen onderbouwing welke problemen dit gaat opleveren. Daarom is het niet aannemelijk dat eiser vanwege zijn afvalligheid problemen zal krijgen in Afghanistan en hiervoor zal worden vervolgd. De minister wijst de aanvraag af als ongegrond.
Het derde asielmotief: de problemen met de familie en man van [naam]
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser stelt dat zijn asielrelaas geloofwaardig is en betwist wisselend of tegenstrijdig te hebben verklaard. Ten aanzien van het aantal motorrijders stelt eiser dat hij met [naam] werd betrapt door twee personen op één motor en dat het dus wel degelijk om één motorrijder gaat. Verderop in het asielrelaas gaat het wel om vier motoren, dus meerdere motorrijders waarvoor eiser en [naam] zich tijdig konden verstoppen. Bovendien gaat het volgens eiser om een niet relevant detail voor wat betreft het asielmotief van eiser. Eiser benadrukt dat het risico wat hij nam uiterst beperkt is. Hij had namelijk met zijn vriendin afgesproken op een plek waar ze er van uit mochten gaan niet gezien te worden door familie of bekenden van [naam]. Doordat eiser daar niet bekend was, liep hij weinig risico om herkend te worden. Eiser is verder van mening dat zijn verklaringen over het verlaten van Afghanistan niet tegenstrijdig zijn. Eiser en [naam] hadden al plannen gemaakt om samen Afghanistan te ontvluchten. De acute noodzaak om te vluchten, ontstond op het moment en doordat ze werden betrapt door een motorrijder of een bijrijder op een motor die [naam] herkende, waardoor zij onmiddellijk moesten vluchten en vertrekken uit Afghanistan. Tot slot stelt eiser dat hij niet heeft kunnen onderbouwen met documenten dat hij wordt gezocht. Hij kan ook geen contact opnemen met de in Afghanistan nog levende familieleden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers verklaringen over de problemen met de met de familie en man van zijn vriendin [naam] niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij niet tegenstrijdig zou hebben verklaard. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat eiser inconsistent heeft verklaard over relevante aspecten in zijn asielrelaas, zoals hoe eiser buiten met zijn vriendin afsprak en hoe zij werden betrapt. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment wanneer hij besloot Afghanistan te verlaten. Eerst verklaarde eiser dat hij al had besloten om het land te verlaten zodat hij samen kon zijn en later zegt eiser dat hij dat besloot toen hij samen met zijn vriendin [naam] werd betrapt. [2] Ook heeft de minister kunnen concluderen dat niet wordt gevolgd dat eiser wordt gezocht door de familie en man van [naam] of de Taliban. Het is immers niet gebleken dat zij (nog) naar eiser op zoek zijn. Ook heeft eiser niet kunnen onderbouwen dat de man van [naam] een invloedrijk persoon was. De beroepsgronden slagen niet.
Gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan
Wat is het betoog van eiser?
6. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees voor vervolging heeft. Hij merkt hierbij op dat hij nagenoeg zijn hele leven in Iran heeft geleefd en slechts heel korte perioden, na een uitzetting, in Afghanistan heeft verbleven. Eiser wijst erop dat Afghanistan niet te vergelijken is met Iran. Waar in Iran de Sjiitische stroming van de islam wordt aangehangen, is er in Afghanistan juist de Soenitische stroming. Ook is Iran een modern land, terwijl Afghanistan een uiterst conservatief is, waarin de stammencultuur heel belangrijk is en waar de sociale controle, met name voor wat betreft religieuze aangelegenheden, groot is. Eiser stelt dat in Iran, althans in de regio van Iran waar hij leefde, burgers elkaar niet echt controleerden ten aanzien van het voldoen aan hun religieuze verplichtingen. In Afghanistan is dit wel het geval. Ook heeft eiser nog niet eerder in Afghanistan een vastenmaand meegemaakt. Volgens eiser is het als Hazara in combinatie met de sociale controle, niet mogelijk om in Afghanistan als afvallige onder de radar te blijven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als afvallige een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Afghanistan. De rechtbank deelt het standpunt van de minister niet, dat gesteld kan worden dat eiser geen verhoogd risico loopt op zwaarwegende problemen bij terugkeer naar Afghanistan, omdat hij eerder ook geen problemen heeft ervaren. Hierbij is van belang dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst en de afvalligheid van eiser geloofwaardig heeft bevonden.
De minister heeft in de bestreden beschikking, enkel meegewogen dat eiser eerder terug kon gaan, maar heeft daarbij geen onderscheid gemaakt tussen het verblijf als afvallige in Iran of in Afghanistan. Ook heeft de minister nagelaten eisers etniciteit te betrekken. Eiser behoort tot de etnische minderheidsgroep Hazara, en dit is ook zichtbaar vanwege de fysieke kenmerken van eiser. Daarnaast heeft de minister niet betrokken de duur van het eerdere verblijf in Afghanistan en de sociale controle te betrekken. Eiser heeft immers het grootste gedeelte van zijn leven in Iran verbleven. Dat eiser als gevolg van deze omstandigheden verhoogd in de aandacht kan komen te staan, vindt de rechtbank daarom niet onaannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de minister om nader te motiveren waarom in het geval van eiser (als Hazara) er geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade, als eiser uiting geeft aan zijn afvalligheid in Afghanistan op dezelfde wijze als hij dit in Iran heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt daarom.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep zal gegrond worden verklaard omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak [3] . De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 juni 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Rapport van het nader gehoor van 2 en 3 juni 2025, pagina 28 en 29.
3.Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.