Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9290

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/9067
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Pijnacker-Nootdorp 2023Art. 2.1.2 Beleidsregel urgentieverklaringen Pijnacker-Nootdorp 2019Art. 2.1.13 Beleidsregel urgentieverklaringen Pijnacker-Nootdorp 2019Art. 7:3 Huisvestingsverordening Pijnacker-Nootdorp 2023Art. 4.1 Beleidsregel urgentieverklaringen Pijnacker-Nootdorp 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring woningtoewijzing

Verzoekster heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend vanwege haar problematische woonsituatie na een relatiebreuk, waarbij zij noodgedwongen met haar expartner samenwoont. Verweerder heeft deze aanvraag op 24 november 2025 afgewezen op grond van meerdere weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening en het beleid omtrent urgentieverklaringen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verlenen van een urgentieverklaring geen voorlopige maatregel is, omdat toewijzing kan leiden tot onomkeerbare situaties. De aanvraag kon daarom alleen worden toegewezen als buiten twijfel stond dat de urgentieverklaring moest worden verleend. Verzoekster had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

Verweerder had beleidsruimte en mocht het strikt beleid hanteren gezien het grote aantal aanvragen en beperkte woningvoorraad. De medische stukken en de situatie van verzoekster en haar kinderen gaven geen aanleiding tot spoedeisendheid of onomkeerbare schade. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding. Verzoekster kan nog afwachten op de beslissing op bezwaar, waarbij verweerder mogelijk op basis van een medisch advies alsnog tot verlening van een urgentieverklaring kan komen. Voorlopig is echter geen reden om de afwijzing te herzien.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9067

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring (voorrangsverklaring).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 november 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben de rechtbank op voorhand laten weten niet aan de zitting te zullen deelnemen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster woont sinds de relatiebreuk nog altijd noodgedwongen met haar expartner samen. Zij heeft op 19 september 2025 een aanvraag voor een urgentieverklaring gedaan, verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat in het geval van verzoekster verschillende weigeringsgronden van toepassing zijn. [1] Verweerder ziet in de door verzoekster aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Deze zaak gaat over de vraag of het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat vindt verzoeker?
3. Verweerder heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring ten onrechte afgewezen. Haar woonsituatie leidt tot ernstige spanningen en psychische klachten. Verzoekster heeft een huisartsenverklaring overgelegd om dit de onderbouwen. Zij staat onder behandeling van de POH-GGZ (praktijkondersteuner huisarts). De huidige woonsituatie is ook voor de kinderen (van 9, 16 en 20 jaar oud) instabiel en belastend. Volgens verzoekster heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met haar medische situatie, haar beperkte functioneren en de belangen van de (minderjarige) kinderen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Van daadwerkelijke dakloosheid of een situatie die daarmee gelijk te stellen is, is geen sprake. De overgelegde medische stukken geven er geen blijk van dat voortzetting van de huidige woonsituatie op korte termijn zal leiden tot een onomkeerbare of levensbedreigende situatie. Verweerder begrijpt dat de situatie voor de kinderen belastend is, maar dat hun gezondheid of veiligheid op dit moment in het geding is, is niet gebleken. Van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake en het bezwaar heeft volgens verweerder ook geen redelijke kans van slagen. Verweerder heeft de aanvraag gelet op de twee weigeringsgronden kunnen afwijzen en heeft geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule. De omstandigheden van verzoekster zijn weliswaar ingrijpend, maar niet zodanig uitzonderlijk dat zij zich in relevante mate onderscheiden van andere woningzoekenden in vergelijkbare omstandigheden.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5.1.
Vooropgesteld overweegt de voorzieningenrechter dat het verlenen van een urgentieverklaring in afwachting van de beslissing op bezwaar, geen voorlopige maatregel is. Na toewijzing van het verzoek kan immers de onomkeerbare situatie ontstaan dat verzoekster voor de beslissing op bezwaar een woning verkrijgt op grond van de verleende urgentieverklaring. Hoewel het begrijpelijk is dat verzoekster en haar kinderen zich in een lastige situatie bevinden, kan een voorlopige voorziening in zaken als deze in de regel alleen worden getroffen als buiten twijfel staat dat een urgentieverklaring moet worden verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is, en overweegt daartoe als volgt.
Mocht verweerder de aanvraag om een urgentieverklaring afwijzen?
6. Bij het nemen van een beslissing over een urgentieverklaring heeft verweerder beoordelings- en beleidsruimte. Hierbij wordt in de regel een strikt beleid gehanteerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat dergelijk strikt beleid niet onredelijk is, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat beschikbaar is. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten.
6.1.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. Deze algemene weigeringsgronden staan in artikel 4:5 van Pro de Huisvestingsverordening. Als sprake is van één of meer algemene weigeringsgronden dan komt de aanvrager in beginsel niet in aanmerking voor een urgentieverklaring.
6.2.
Hoewel verzoekster weerspreekt dat de twee weigeringsgronden van toepassing zijn, weerspreekt zij op zichzelf niet dat het huisvestingsprobleem is ontstaan sinds de relatie met haar voormalige partner is verbroken en dat zij een woning wenst met voldoende ruimte voor de kinderen die met haar meeverhuizen. Dit maakt dat volgens de regelgeving geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem (artikel 4:5 van Pro de Huisvestingsverordening en artikel 2.1.2 van de Beleidsregel). Dat betekent dus dat verweerder de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring in beginsel mocht afwijzen.
Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
7. Verweerder kan bepalingen uit de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken op grond van de hardheidsclausule. Zoals de Afdeling heeft overwogen heeft het bestuursorgaan bij het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule ook beoordelingsruimte. [2] Het gebruik van deze ruimte moet door de rechter eveneens terughoudend worden getoetst. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts slagen indien verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van een urgentieverklaring leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. [3]
7.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met de door haar overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke situatie. Verweerder heeft op 18 februari 2025 wel nog laten weten dat op 3 februari 2026 in het kader van de bezwaarprocedure een hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat daarbij is afgesproken dat door verweerder een medisch advies wordt aangevraagd. Mogelijk dat verweerder in de beslissing op bezwaar naar aanleiding van het medisch advies wel tot verlening van een urgentieverklaring komt, op de uitkomst van dat advies kan echter niet vooruit worden gelopen. De enkele omstandigheid dat een medisch advies is aangevraagd, is op zichzelf onvoldoende om het verzoek in deze zaak toe te wijzen.
7.2.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op basis van de informatie die nu, in deze zaak, voorligt niet zonder meer duidelijk is dat het bezwaar gegrond is. Zij ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 4:5, aanhef en onder b en m, van de Vierde herziening Huisvestingsverordening Pijnacker- Nootdorp 2023 (de Huisvestingsverordening), in samenhang gelezen met artikel 2.1.2, aanhef en onder h en n, en artikel 2.1.13, aanhef en onder b, van de Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker- Nootdorp houdende regels omtrent urgentieverklaringen (Beleidsregel urgentieverklaringen Pijnacker- Nootdorp 2019) (de Beleidsregel).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:231.
3.Artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening en artikel 4.1 van de Beleidsregel.