ECLI:NL:RBDHA:2026:9290
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring woningtoewijzing
Verzoekster heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend vanwege haar problematische woonsituatie na een relatiebreuk, waarbij zij noodgedwongen met haar expartner samenwoont. Verweerder heeft deze aanvraag op 24 november 2025 afgewezen op grond van meerdere weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening en het beleid omtrent urgentieverklaringen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verlenen van een urgentieverklaring geen voorlopige maatregel is, omdat toewijzing kan leiden tot onomkeerbare situaties. De aanvraag kon daarom alleen worden toegewezen als buiten twijfel stond dat de urgentieverklaring moest worden verleend. Verzoekster had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Verweerder had beleidsruimte en mocht het strikt beleid hanteren gezien het grote aantal aanvragen en beperkte woningvoorraad. De medische stukken en de situatie van verzoekster en haar kinderen gaven geen aanleiding tot spoedeisendheid of onomkeerbare schade. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding. Verzoekster kan nog afwachten op de beslissing op bezwaar, waarbij verweerder mogelijk op basis van een medisch advies alsnog tot verlening van een urgentieverklaring kan komen. Voorlopig is echter geen reden om de afwijzing te herzien.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen.