Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9301

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/09/686507 / HA ZA 25-515
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:37 BWArt. 3:42 BWArt. 3:303 BWArt. 3:306 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over verwijdering steeneik en snoeien laurierkers nabij erfgrens

De zaak betreft een burenrechtelijk geschil tussen [eiseres], eigenaar van een woning sinds 2025, en [gedaagden], eigenaar en bewoner van de naastgelegen woning sinds 2023. Het geschil gaat over een steeneik en een laurierkers die dicht bij de erfgrens staan. [Eiseres] vordert verwijdering van de steeneik omdat deze binnen de verboden zone van 2 meter van de erfgrens staat, en snoeiing van de laurierkers tot maximaal 2 meter vanwege vermeende hinder.

De rechtbank stelt vast dat de steeneik zich op ongeveer 30 cm van de erfgrens bevindt en daarmee binnen de verboden zone valt, terwijl de laurierkers op 65 cm staat en buiten de verboden zone valt. De vordering tot snoeiing van de laurierkers wordt afgewezen omdat de hinder onvoldoende onrechtmatig is. Ten aanzien van de steeneik wordt het beroep op verjaring door [gedaagden] onderzocht; de rechtbank oordeelt dat verjaring pas kan aanvangen vanaf het moment dat de boom boven de scheidsmuur uitkomt.

Omdat onduidelijk is of de steeneik al meer dan 20 jaar op de huidige plaats staat en hoger is dan de garage, krijgt [gedaagden] de opdracht bewijs te leveren. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en getuigenverhoor. De rechtbank wijst het beroep op misbruik van recht en toestemming af. Het vonnis is gewezen door mr. S.M. de Bruijn en uitgesproken op 15 april 2026.

Uitkomst: Vordering tot verwijdering steeneik aangehouden voor bewijs, vordering tot snoeiing laurierkers afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/686507 / HA ZA 25-515
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats],
eisende partij,
advocaat: mr. J.J. Kesseboom,
tegen

1.[gedaagden sub 1] te [woonplaats],2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats],

gedaagde partijen,
advocaat: mr. P.D. van der Kooi.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2025 met 20 producties;
- de conclusie van antwoord met 14 producties;
- de door [eiseres] overgelegde producties 21-25;
- de door [gedaagden] overgelegde nadere 3 (ongenummerde) producties;
- het proces-verbaal van de plaatsopneming.
1.2.
Op 5 maart 2026 is een plaatsopneming gehouden in de (achter)tuinen van de woningen van partijen. Aansluitend is de mondelinge behandeling gehouden in het paleis van justitie te Den Haag. Bij de plaatsopneming waren [eiseres] en [gedaagden sub 2] aanwezig, bijgestaan door de advocaten voornoemd. Van hetgeen ter zitting is besproken zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Aan het slot van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] woont sinds 2009 in de (twee-onder-één-kap)woning aan de [adres 1] in [plaats]. Zij woonde daar voorheen samen met haar in 2025 overleden echtgenoot, die eigenaar was van de woning. Thans is zij eigenaar van deze woning.
2.2.
[gedaagden] is sinds maart 2023 eigenaar van, en vanaf november 2023 ook wonende in, de woning aan de [adres 2] in [plaats].
2.3.
De achtertuinen van beide woningen grenzen gedeeltelijk aan elkaar, zoals zichtbaar is op onderstaande afbeelding waarin de percelen van [eiseres] (A) en [gedaagden] (B) zijn aangeduid, alsmede (in geel) de (indicatieve) loop van de gedeelde erfgrens.
2.4.
In de noordwestelijke hoek van de tuin van [eiseres] staat een garage (in de afbeelding aangeduid met ‘g’), waarvan de buitenmuren de erfgrens vormen met het perceel van [gedaagden] De rest van de gedeelde erfgrens bestaat uit een schutting. Op het perceel van [gedaagden] staan, vlakbij de erfgrens, een steeneik en een laurierkers. Ter indicatie zijn de locaties van de (stam) van de steeneik (rode stip) en laurierkers (groene stip) op de afbeelding aangegeven.
2.5.
De afstand van (het midden van) de stam van de steeneik tot de garagemuur bedraagt ongeveer 35 cm. De stam van de laurierkers loopt direct vanaf de grond uit in meerdere stammetjes. Gemeten vanaf het midden van die stammetjes bedraagt de afstand tot de schutting ruim 60 cm.
2.6.
Het dossier bevat een op 16 oktober 2024 gedateerd advies van de heer [naam], dendroloog, waarin onder meer het volgende is opgenomen over de steeneik:
“De boom determineer ik als steeneik (Quercus Ilex). Dit is een langzaam groeiende, wintergroene soort met beperkte bladval.
De door mij uitgevoerde metingen ter plaatse geven aan dat de boom op een stamhoogte van 1.40 m een omtrek heeft van 51,5 cm. Hieruit constateer ik dat de boom tenminste 25 jaar oud is (inclusief kwekerij-periode).
Dit soort wordt door de kwekerij uitgeleverd wanneer de kale stamhoogte tenminste 2 meter bedraagt en de bladerkroon boven op die stam aldus ruim boven de schutting uitkomt. Op 2 januari 2009 (…) moet de boom al geruime tijd vanuit zijn perceel goed zichtbaar zijn geweest, zowel vanuit de tuin als vanaf het balkon.”
2.7.
Op 4 december 2025 is een notariële akte verleden waarin onder meer de boedelbeschrijving is opgenomen ten aanzien van wijlen de echtgenoot van [eiseres], waarin de deelgenoten in de nalatenschap de verdeling zijn overeengekomen en waarbij, ter uitvoering daarvan, de woning van (thans) [eiseres] aan haar is geleverd.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat en na vermindering van eis – dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] veroordeelt om binnen twee maanden de steeneik te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;
[gedaagden] veroordeelt om binnen twee weken de laurierkers te snoeien tot een hoogte van maximaal 2 meter en de overhangende takken te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom.
3.2.
Ten aanzien van de steeneik beroept [eiseres] zich erop dat deze zich bevindt binnen de in artikel 3:42 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) bedoelde afstand en deze aldus niet geoorloofd is. [gedaagden] verweert zich daartegen met een beroep op verjaring, misbruik van recht en toestemming/aanvaarding. Ten aanzien van de laurierkers beroept [eiseres] zich op onrechtmatige hinder (art. 3:37 BW Pro). [gedaagden] betwist dat en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres],
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid [eiseres]
4.1.1.
[gedaagden] heeft zich erop beroepen dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat uit door haar bij dagvaarding overgelegde uittreksel van het Kadaster blijkt dat niet zij, maar wijlen haar echtgenoot als eigenaar is geregistreerd. De rechtbank gaat aan dat standpunt voorbij. Uit de door [eiseres] nader overgelegde notariële akte volgt dat (i) [eiseres] en wijlen haar echtgenoot in 2012 in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, (ii) de erfgenamen zijn overeengekomen dat alle goederen (waaronder de woning) aan [eiseres] worden toegedeeld (onder vergoeding van de waarde) en (iii) levering van de woning aan [eiseres] bij die akte, op 4 december 2025 (zie hiervoor onder 2.7), heeft plaatsgevonden. [eiseres] is dus thans eigenaar van de woning. De rechtbank dient, anders dan door [gedaagden] betoogd, te beoordelen of [eiseres] ten tijde van de uitspraak over een recht of titel beschikt, en niet ten tijde van de dagvaarding.
4.1.2.
[eiseres] kan dus gezien het bovenstaande al in haar vorderingen worden ontvangen. Daar komt nog bij dat zij ten tijde van de dagvaarding reeds (geruime) tijd de gebruiker (en voordien: een van de gebruikers) van de woning was. Volgens vaste rechtspraak kunnen sommige bepalingen van het burenrecht van overeenkomstige toepassing zijn op de gebruiker/niet-eigenaar, indien de eigenaar daartegen geen bezwaar heeft. [1] Ten tijde van het dagvaarden waren de erfgenamen, waaronder [eiseres], gezamenlijk eigenaar van de woning en was [eiseres] als executeur belast met het beheer van de goederen. Daarom kan worden aangenomen dat aan de voorwaarde van geen bezwaar is voldaan en [eiseres] ook uit dien hoofde bevoegd was de vorderingen in te stellen.
De ‘verboden zone’ van art. 5:42 BW Pro
4.2.
Art. 5:42 BW Pro leden 1 en 2 bepalen, voor zover relevant, dat het niet is geoorloofd binnen twee meter (bomen) dan wel een halve meter (heesters en heggen) van de erfgrens bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven. De genoemde afstanden kunnen bij algemene plaatselijke verordening worden aangepast. In artikel 4:11 lid 10 van Pro de APV [plaats] 2020 zijn voornoemde afstanden aangepast tot een halve meter voor bomen en nihil voor heesters en heggen. Verder bepaalt lid 3 van art. 5:42 BW Pro dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen bomen, heesters en heggen die niet hoger komen dan de scheidsmuur tussen de betrokken percelen.
4.3.
Bij de plaatsopneming is vastgesteld, en tussen partijen niet in geschil, dat de steeneik zich op 30 cm van de erfgrens bevindt, en dus binnen de ‘verboden zone’ en de laurierkers op 65 cm, en dus buiten de ‘verboden zone’.
De laurierkers
4.4.
Omdat de laurierkers zich buiten de ‘verboden zone’ bevindt en [eiseres] in zoverre dus geen beroep op art. 5:42 BW Pro toekomt, heeft zij haar vordering ten aanzien van de laurierkers gegrond op de hinderbepaling van art. 5:37 BW Pro.
4.5.
Zeker in dichtbevolkt gebied is onontkoombaar dat buren enige hinder van elkaar (kunnen) ondervinden. Niet alle hinder is daarom onrechtmatig. Op grond van art. 5:37 BW Pro mag een eigenaar van een erf niet aan de eigenaar van een ander erf hinder toebrengen op een wijze die volgens art. 6:162 BW Pro onrechtmatig is. Indien hinder een zekere tolerantiegrens te boven gaat, is dat in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt (zoals bedoeld in art. 6:162 BW Pro). Voor de beoordeling van de vraag of hinder onrechtmatig is, moet volgens vaste rechtspraak worden gekeken naar de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank levert de laurierkers, zoals deze ten tijde van de plaatsopneming was gesnoeid, geen onrechtmatige hinder op. Weliswaar was de laurierkers zichtbaar boven de schutting en (een gedeelte van) de garage, maar dat is onvoldoende voor onrechtmatige hinder. Dat [eiseres], zoals zij heeft aangevoerd, niet graag ‘tegen een groene muur aankijkt’ is eveneens onvoldoende. Alhoewel het een persoonlijke kwestie is hoe hinderlijk een bepaald uitzicht wordt ervaren, is de rechtbank van oordeel dat de zichtinbreuk die de laurierkers veroorzaakt, zoals dit ten tijde van de plaatsopneming door de rechter is waargenomen, onvoldoende is om van onrechtmatige hinder te spreken.
4.7.
Nu geen sprake is van onrechtmatige hinder, ziet de rechtbank geen aanleiding tot toewijzing van de gevorderde veroordeling om de laurierkers terug te snoeien tot een hoogte van maximaal twee meter. Voor zover thans sprake zou zijn van overhangende takken, bij de descente is dat niet waargenomen, kan [eiseres] deze – indien [gedaagden] de overhangende takken na aanmaning niet zelf verwijdert – zelf snoeien zodat bij de gevraagde veroordeling in zoverre geen belang bestaat (art. 5:44 BW Pro in samenhang met art. 3:303 BW Pro).
De steeneik
4.8.
Niet in geschil is dat de steeneik zich binnen de ‘verboden zone’ bevindt en [eiseres] dus in beginsel de opheffing van die onrechtmatige toestand kan vorderen. Daaraan doet niet af dat geen sprake is van hinder of schade, zoals door [gedaagden] betoogd. [gedaagden] heeft zich echter daarnaast tegen de vordering verweerd met een beroep op misbruik van recht, toestemming en verjaring.
4.9.
Van misbruik van recht (misbruik van bevoegdheid, art. 3:13 BW Pro) kan sprake zijn als degene die een bevoegdheid inroept deze met geen ander doel uitoefent dan om een ander te schaden, met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of anderszins in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Uitgangspunt is dat degene die een recht/bevoegdheid heeft, deze mag uitoefenen. De correctie van misbruik van recht moet daarom terughoudend worden toegepast. In dit geval ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om misbruik aan te nemen. De door [eiseres] genoemde nadelen, onder meer verminderde opbrengst van haar zonnepanelen, meer schaduw in haar tuin (aan het einde van de dag, een deel van de tuin ligt ten oosten van de steeneik) en afvallende bladeren, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende wezenlijk dat niet kan worden geoordeeld dat [eiseres] verwijdering van de steeneik slecht vordert om [gedaagden] te schaden. Evenmin had [eiseres] in redelijkheid niet tot haar verzoek kunnen komen. Dat [gedaagden] kosten moet maken voor het kappen en afvoeren van de steeneik levert op zichzelf evenmin misbruik van recht op.
4.10.
[gedaagden] heeft aan zijn beroep op misbruik van recht mede ten grondslag gelegd dat hij gehecht is aan privacy en dat de steeneik het zicht op zijn slaapkamer afschermt. Daargelaten het feit dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de steeneik juist niet het zich op de slaapkamer vanaf de woning van [eiseres] (of de naastgelegen woning) afschermt, miskent [gedaagden] dat er, zeker in stedelijk gebied, geen absoluut recht op privacy bestaat in die zin dat er geen enkele zichtlijn vanaf andere panden op de woning mag zijn.
4.11.
[eiseres] heeft, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin misbruik van recht gemaakt door haar zonnepanelen onder de, op dat moment reeds aanwezige, steeneik te plaatsen zoals door [gedaagden] betoogd. [2] [eiseres] heeft immers onder verwijzing naar overgelegde foto’s onderbouwd dat ten tijde van het plaatsen van de zonnepanelen de steeneik beduidend lager was gesnoeid dan thans, ten tijde van de plaatsopneming. Dat is door [gedaagden] onvoldoende weersproken. Reeds daarop strandt dit deel van het betoog van [gedaagden]
4.12.
De rechtbank gaat derhalve aan het beroep op misbruik van recht voorbij.
4.13.
[gedaagden] heeft zich er verder op beroepen dat wijlen de echtgenoot van [eiseres] de aanwezigheid van de boom ‘kennelijk heeft aanvaard’, door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] te helpen met het terugsnoeien daarvan. De rechtbank begrijpt dat aldus dat [gedaagden] daarmee wil betogen dat sprake is van toestemming als bedoeld in art. 5:42 lid 1 BW Pro. Daarbij gaat hij er echter aan voorbij dat – verondersteld dat met voornoemde burenhulp daadwerkelijk toestemming voor de steeneik is gegeven – deze toestemming een voor inschrijving in de openbare registers vatbare rechtshandeling is die alleen bij inschrijving werkt tegen latere verkrijgers van het registergoed (in dit geval [eiseres]). Gesteld noch gebleken is dat de (gestelde) toestemming is ingeschreven. Ook dit verweer slaagt dus niet.
4.14.
Ten slotte heeft [gedaagden] een beroep gedaan op verjaring. Op grond van art. 3:314 BW Pro in samenhang met art. 3:306 BW Pro verjaart het recht om opheffing van een onrechtmatige toestand 20 jaar na het moment vanaf wanneer opheffing van de onrechtmatige toestand kan worden gevorderd.
4.15.
Tussen partijen is in geschil of de verjaring aanvangt op het moment dat de boom (op die plek) is (over)geplant of pas als de boom boven de schutting/scheidsmuur uitkomt. De rechtbank is van oordeel dat de verjaring pas is aangevangen op het moment dat de steeneik boven (in dit geval) de garage is uitgekomen. Art. 5:42 lid 3 BW Pro bepaalt immers dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen aanwezigheid van een boom die niet boven de scheidsmuur uitkomt. Dat brengt met zich dat tot die tijd geen opheffing van een onrechtmatige toestand kon worden gevorderd en dit recht dus ook nog niet aan verjaring onderhevig kon zijn. Het beroep van [gedaagden] op het arrest van de Hoge Raad van 18 december 1992, waarin kort gezegd is geoordeeld dat (in dat geval) de verjaringstermijn is aangevangen op het moment dat de bomen zijn geplant, baat hem niet. [3] In die zaak ging het om de vraag op welk moment sprake was van bezit van een erfdienstbaarheid (inhoudende het door de betreffende bomen aan de grond onttrekken van vocht en voeding). Dat is een andere vraag dan hier aan de orde. [4]
4.16.
Nu [gedaagden] zich op het rechtsgevolg van verjaring beroept rust op hem de stelplicht en bewijslast terzake (art. 150 Rv Pro.). [gedaagden] beroept zich in dat kader op de verklaring van dendroloog [naam] (zie hiervoor onder 2.6), waaruit volgt dat de steeneik eind 2024 (tenminste) 25 jaar oud was. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagden] betoogd dat ervan uit kan worden gegaan dat de steeneik, gezien de leeftijd, al meer dan 20 jaar boven de schutting uitkomt, uitgaande van een zelf aangenomen groeisnelheid. [eiseres] heeft betwist dat de boom al meer dan 20 jaar boven de garage uitkomt, onder meer door te betogen dat zij de boom in 2009, toen zij daar kwam wonen, niet kon zien.
4.17.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de verklaring van de dendroloog kan wel de leeftijd worden afgeleid maar dat is de leeftijd inclusief de tijd bij de kweker. Wanneer de steeneik op de huidige plaats is geplant en wanneer deze (geacht kan worden) hoger dan de garage te hebben gereikt volgt uit die verklaring niet. Daarom kan bij deze stand van zaken, in het licht van de betwisting door [eiseres], verjaring niet worden aangenomen. Omdat [gedaagden] bewijs heeft aangeboden zal hij echter in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat de steeneik gedurende tenminste 20 jaar voordat [eiseres] zich op de verwijdering daarvan heeft beroepen (i) op de huidige plaats heeft gestaan en (ii) gedurende die periode hoger was dan de garage.
4.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
draagt [gedaagden] op te bewijzen dat de steeneik gedurende tenminste 20 jaar voordat [eiseres] zich op de verwijdering daarvan heeft beroepen (i) op de huidige plaats heeft gestaan en (ii) gedurende die periode hoger was dan de garage
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 29 april 2026voor uitlating door [gedaagden] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [gedaagden] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [gedaagden]
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
meitot en met
septemberdan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van (dhr.) mr. S.M. de Bruijn, in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.HR 24 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0480.
2.Onder verwijzing naar Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2023:2782.
3.HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0803.
4.Vgl. in gelijke zin (onder meer) gerechtshof Amsterdam 25 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3475, rov. 2.12.